Congo heeft een geur.
Een soort visgeur.
Men ruikt die het best in de korte periode tussen het regen- en het droog seizoen. Wanneer een passerende auto nog niet die overweldigende, allesverstikkende, ondoorzichtige muur van stof achterlaat, maar slechts een bescheiden wolkje opjaagt.
Men riekt het ook wanneer men een paar lokalen van Bukavu in zijn jeep meeneemt. Of échte dorpelingen. Dan heeft men zelfs aan ééntje genoeg. Dan is het kwestie van met de ramen open te rijden, anders heeft men permanent de indruk in een viskraam rond te toeren.
En ik ben geen visliefhebber.
Ik rij hier trouwens ALTIJD met mijn venster open. Het is gewoon een gewoonte. Maar dan hoor ik tenminste wat er buiten mijn UN-cocon aan het gebeuren is. Want hier wordt altijd naar ons geroepen. "Monúúúke", of "biskwi-i-i-te", of "malándro" (wie ze dát wijsgemaakt heeft weet ik niet, want het betekent "dief" in Uruguaiaans-verbasterd Spaans en als er érgens dieven zijn…), maar als hun verstand hier éven groot zou zijn als hun mond, dan waren ze het slimste volk ter wereld. Ondertussen geeft het toch een zekere vorm van veiligheid: zolang ze roepen is alles OK. Zo had ik me indertijd laten verrassen door in een gepantserde jeep, waarvan de ramen van dik glas zijn en niet naar beneden kunnen, rond te rijden in Bukavu tijdens de crisis met de zogenaamde Rwandees aan boord van een Uruguaiaanse APC.
Ik rook de stilte niet en kreeg méér stenen te slikken dan de, zelfs gepantserde, jeep lief was…
Die wetenschap kwam wél goed van pas tijdens onze trip van Bukavu naar Goma tijdens het weekend van 11/12 December. Michael LIVSHITS had gehoord dat de weg weer bruikbaar was (voordien vertelde iedereen dat er een brug ten zuiden en eentje ten noorden van MINOVA kaduuk was en dat er dus geen verkeer tussen Bukavu en Goma mogelijk was). Bovendien was ESCO, de firma die het eten levert aan MONUC en die in Kinshasa geleid wordt door Peter GEETS (nóg een Belgische oud-militair en dan nog een van het 2-de Lansiers), van plan om in de toekomst logistieke depots in Goma en Bukavu te openen en die via de weg te bevoorraden, in plaats van via de zéér kostelijke lucht. Redenen genoeg dus om de zaak eens van dichterbij te bekijken en ook om de Chinezen mee te nemen, voor het geval er hier of daar nog een brugje moest hersteld of verbeterd worden. We moesten ook nog eens twee pick-ups volgeladen met Pakistanen in ons konvooi voorzien, want zonder militaire escorte durven de Chinezen zowiezo geen voet buiten hun kamp zetten.
In KALEHE namen we nog de adjunct-administrator aan boord, want zijn familie woonde in MINOVA en zo kon hij dus bij hen het weekend doorbrengen.
Alles ging vlot tot zo'n dikke kilometer vóór MINOVA. Dat 'stadje', op zo'n veertig kilometer van GOMA, vormt de grens tussen het 10-de Region Militaire en het 8-ste. En dat zijn géén goede buren. Nkunda was afkomstig van 8 RM en werd, ondanks zijn uitstapje in Juni richting Bukavu, nog altijd door zijn baas, de commandant van de Region Militaire, gesteund.
Ge moet Congolees zijn om dát te kunnen begrijpen…
Maar buiten was het plots stil.
Geen ge-"Monúúúke" en geen ge-"bisquiiiite" meer. We zagen alleen een paar groepjes Mai-Mai in de richting sloffen van waaruit wij kwamen.
Dat rook verdacht.
In Minova zelf was er een checkpoint, hopen militairen en een massa burgers langs de kant van de straat die in doodse stilte stonden toe te kijken. Niemand maakte aanstalten om het bareel (een simpele bamboestok) te openen en Michael begon al nerveus te toeteren. Ik weet ondertussen al dat zoiets geen zoden aan de dijk brengt en stapte dus maar uit om een woordje uitleg te vragen.
Er was geen énkel probleem, zei een luitenant.
"Jamaar, wat doen al die militairen en al dat volk hier dan op straat?"
In de verte was het geluid van schoten te horen en voordat ik een antwoord kon krijgen, zag ik dat de eerste pick-up (die vlak achter onze jeep stond) rechtsomkeer maakte, natuurlijk gevolgd door de jeeps van de Chinezen en ook de tweede pick-up begon zich te draaien.
Verdomme. Wat doen die idioten nu?
Alleen Michael stond nog met zijn jeep voor het bareel.
En ergens vanuit de massa toeschouwers werd een steen tegen de jeep geworpen.
Ik ging naar de Pakistaanse kapitein.
"Vooruit, terugdraaien, we moeten er hier door!"
Wanneer we nú zouden terugkeren, was het imago van MONUC eens te meer naar de knoppen en ik wist al wat dat zou betekenen in de praktijk: een stenenregen van Minova tot Bukavu!
De Pakistaanse kapitein was nog héél groen in Congo en dus gemakkelijk te overtuigen en heel de kolonne maakte weer rechtsomkeer.
Geen stenen meer.
We werden voorbij het bareel gelaten en een vijfhonderd meter verder kwamen we bij een andere uitgebreide groep militairen. Ik stapte weer uit en ging de hoogste in graad groeten. "Geen problemen", zei de kolonel, terwijl hij met twee GSM-s tegelijk aan zijn oor hing.
Ha, bon?
"Neen, we zijn alleen 'orde op zaken' aan het stellen in 8 RM."
"Gaan jullie aan deze kant van de scheidingslijn tussen 8 RM en 10 RM blijven?"
"Ja, we gaan niet verder. We hebben geen problemen met 10 RM of met MONUC. Jullie kunnen gerust passeren."
Dat stelde me een beetje gerust en dus reden we verder, zonder nog ergens problemen te ondervinden.
Bij de eerstvolgende brug waar we stopten om die te laten controleren door de Chinezen, hoorden we dat het in feite een zoveelste kleine privé-oorlog betrof. Een zekere kolonel BERTRAND, commandant van een Mai-Mai brigade in 8 RM, had in Juni Nkunda niet willen volgen op zijn expeditie richting Bukavu en was dus in ongenade gevallen bij de commandant van 8 RM. Die had dan maar ene kolonel JACQUES als nieuwe commandant van die brigade benoemd, maar een deel van de Mai-Mai was BERTRAND trouw gebleven en bezette het zuidelijke deel van 8 RM (hier zijn ze schijnbaar trouw aan personen en niet aan eenheden). JACQUES had ondertussen versterkingen gekregen en was nu die ongehoorzame Mai-Mai uit zijn gebied aan het borstelen…
Toen we op zondag terugkeerden pikten we de adjunct-administrator in Minova weer op.
"Comment est la situation?"
Hij zei dat het schieten een tijdje na onze doortocht gestopt was, dat de situatie terug min of meer normaal was, dat er zich wel nog veel vluchtelingen in Minova bevonden, maar dat die de eerstvolgende dagen allemaal wel weer huiswaarts zouden kunnen trekken, "grâce ŕ la MONUC".
Waar een imago al niet goed voor is…
Op dinsdag 8 Februari reed ik naar Luvungi. Alleen. En daar waar het in de UNO verboden is om lokalen te laten meerijden (het kán wel, maar dan moet er éérst een ganse paperassenmolen doorlopen worden), vaag ik daar toch regelmatig mijn broek aan. Zéker als Alfred het niet kan zien en héél zeker wanneer ik op mijn eentje door de bergen moet. Ik had al een jong kereltje van Bukavu naar Kamaniola gebracht (waarbij hij nog het lef had om me bij aankomst geld te vragen) en op de terugweg een madammeke mét een zak maniokmeel van Kamaniola tot Niangese, maar voor de laatste twintig kilometer tot in Bukavu stond ik er weer alleen voor en het begon zo stilaan donker te worden. Het góót water en plots stond er voor mij, natuurlijk in het midden van de modderweg, een camion in panne. Ik reed er héél langzaam voorbij en een kerel met een wit potseken op deed me stoppen.
"Salaam-malekum."
Die dacht waarschijnlijk dat ik een Pakistaan was.
Of ik zo vriendelijk wilde zijn om de chauffeur mee te nemen tot Bukavu om wisselstukken te gaan halen?
Natuurlijk.
Een vuil, vettig ventje, van kop tot teen onder de modder, wilde zich op de passagierszetel installeren, kreeg onder zijn voeten van de man met het mutske en deed dan maar zijn vestje uit dat hij binnenste-buiten gekeerd op de zetel legde. Op dat ogenblik zoemde mijn GSM in mijn broekzak, maar toen ik die uithaalde was ik natuurlijk al te laat om op te nemen. Tegelijkertijd werd ik opgeroepen door Mike STROBEL met de vraag waar ik me juist bevond en hoe lang ik nog dacht nodig te hebben om tot in Bukavu te geraken.
Een paar kilometer verder keek ik toevallig naast me.
Tiens, waar is mijn GSM?
Ik heb namelijk de gewoonte om hem tijdens het rijden niet meer in mijn broekzak te proppen, want dan valt die daar gemakkelijk uit, maar in een bakje van de console tussen de twee zetels te leggen.
En dat was leeg.
"Vous n'avez pas vu mon GSM?"
Neen. En hij toonde mij een paar onschuldige oliehanden.
Toch nog maar eens in mijn broekzak gevoeld, ge kunt nooit weten. Niets.
Naast de zetel en onder mijn voeten gescharreld. Niets.
"Vous n'avez vraiment rien vu? Misschien is hij ergens onder uw voeten gevallen?" Hij voelde zéér uitgebreid in het duister. Niets.
Goed, dan gaan we het maar anders oplossen.
"Lima One, this is Lima Mike Two, can You call me on my mobile?"
En een minuutje of zo later kwam er een cavalerie-liedje…vanonder het vestje.
Dat de weg zéér hobbelig is en dat we dus soms serieuze wippen maken, dat weet ik al, maar dat mijn GSM een sprong van zomaar een twintig centimeter, óver de handrem tot toevallig ónder zijn vestje kon maken, was me toch wel een beetje té veel.
Hij vroeg me zelfs niet, waarom hij de resterende tien kilometer te voet door de pletsende regen moest afleggen.
En na tien maanden Congo, begin ik het hier toch zo stilaan te rieken…
Episode 39
-->
Home
Boek kopen? Surf naar © 2006 Free Musketeers!