"From Dedan Muriuki/MONUC
To Alfred Podritschnig/MONUC@MONUC
15/02/2005 09:25 PM
Hi,
From Air Operations side I wish to state that, no instructions were issued to any one to cut down any trees/palm trees on or around 30 Januari 2004??? (may be should 2005) in Bunyakiri, in preparation of a helipad in Cabunda Sector."
Ik was wel maar 'CC', maar vroeg toch 's anderendaags op de brigadebriefing welke snoodaard in Bunyakiri bomen had laten kappen. Niemand.
Er was in Januari 2005 (want ik veronderstelde dat 2004 een typfout was) zelfs geen helilanding in Bunyakiri geweest.
Enkele dagen later kreeg ik de originele klachtenbrief in handen. Die was opgesteld door zo maar effekens vijf vertegenwoordigers van "l' Église Catholique de CABUNDA" en gericht aan iedereen die maar enigszins IETS te zeggen heeft in Zuid-Kivu. Daarin stond dat, op datum van 30 Januari 2004, MONUC één hektare (10.000 m²) palmbomen had gekapt om een helilandingsplaats aan te leggen en dat, door het verwijderen van die bomen, een storm de kans had gekregen om een deel van het dak van een naastliggend schooltje mee te nemen. Kostprijs: 800 dollar voor de bomen en 472 dollar voor het dak.
Getekend: met de meeste hoogachting.
Iedereen die de brief onder ogen kreeg fronste de wenkbrauwen.
Er waren geen MONUC-troepen gelegerd geweest in Bunyakiri in die periode en zelfs later niet. Het MilObs team in KANDO (een deelgemeente van Bunyakiri) was daar maar aangekomen midden Februari 2004 en had eind Mei de boel weer ontruimd. Maar we konden niet meer navragen of zij de daders waren geweest, want natuurlijk was iedereen van dat team ondertussen afgezwaaid.
En dan, 10.000 m² voor een landingsplaats? Dat is inderdaad min of meer de voorziene oppervlakte, maar was er dan geen open terrein te vinden geweest van die oppervlakte? Een voetbalveld of zoiets?
En daarbij, MONUC die ZELF bomen kapt? Als er zóveel negertjes te vinden zijn in de omgeving?
En 2004? Waarom méér dan een jaar wachten vooraleer een vergoeding te vragen? Gewoonlijk zijn ze daar al met de factuur vóórdat het werk begint…
Het was allemaal zodanig ongeloofwaardig dat het misschien wel waar kon zijn. Dat moest dus ter plaatse eens bekeken worden en de Security Section werd belast met die opdracht. Omdat ik Bunyakiri nog nooit gezien had, vroeg ik Alfreds zegen om mee te mogen, want ik was de énige aanwezige in JLOC in die periode.
En af en toe gunt hij me wel mijn pleziertje…
Afspraak gemaakt met Rajabu MMBAGA, een nieuwkomer uit Tanzania op Security, om op dinsdag 22 Februari om 07.00 Hr op onderzoek te trekken.
Weet ge het zijn? Neen.
Ik ook niet.
Hij zou dus twee locale Securisten meenemen, dan konden die ter plaatse ook nog eens de verschillende verklaringen afnemen.
Escorte? Niet nodig, vond hij.
Ik ook niet.
We zouden er ons wel doorbabbelen en in het andere geval zouden we gewoon terugkeren.
We vonden Bunyakiri héél gemakkelijk (vanaf MITI loopt er ook maar één weg naartoe) en we moesten ons onderweg maar langs één FARDC-checkpoint heen babbelen, waar we zowel de brief als onze MOP (Movement of Personnel) moesten tonen vooraleer we verder mochten. In feite had de FARDC met beiden geen zaken, want MONUC heeft in Congo "freedom of movement", maar we wilden niet al te moeilijk doen en gaven ze maar hun zin.
We vonden ook de plaats waar het KANDO-team gevestigd was geweest én één van de briefopstellers. De "Dirécole" van de verschillende scholen in Bunyakiri.
Jawel, die bomen waren gekapt door MONUC.
Neen, natuurlijk hadden ze die niet zelf gekapt, dat hadden de dorpelingen gedaan.
Zomaar?
Jawel, zomaar, zonder daarvoor betaald te worden. Gewoon omdat het door MONUC gevraagd werd.
Dat klinkt in Congo net hetzelfde als de duivel horen verklaren dat hij zich dagelijks wast met wijwater…
Kunnen we dat terrein zien?
Ja, natuurlijk. Eerst is het een drietal kilometer rijden en daarna een drie kwartier stappen.
Het begon steeds halucinanter te worden.
Wie legt er nu een helilandingsplaats op drie kwartier WANDELafstand?
We hadden wel niet veel goesting om dat toeristisch uitstapje te doen, maar we hadden niet veel keuze, wilden we een serieus verslag kunnen opstellen.
Onderweg moesten we ook nog de vice-directeur oppikken, de verantwoordelijke van de Cabunda-sector, de Chef Coutumièr van de streek en nog een paar anderen, waardoor ons groepje, toen we de twee jeeps bij een Mai-Mai checkpoint achterlieten (in de stille hoop ze terug te zien), uit tien personen bestond om de weg te voet aan te vatten.
De 'weg' zelf was een smal paadje dat midden door de brousse en over berg en dal liep. Ik had de indruk dat het véél meer over berg dan over dal was, want er zaten daar een paar serieuze kuitenbijters tussen en in de heersende evenaarshitte was ik dan ook zeer snel aan het zweten als een zwaar druppend kraantje. Reeds na een klein half uurtje was mijn pijp ver uit en ik was dan ook in eerste instantie héél gelukkig dat de groep plots stilhield.
Aan de overkant van een klein beekje stonden een drietal kereltjes zwaar van hunne tak te maken. "Interahamwé" fluisterde een van onze begeleiders naast me.
Ha, zó zien die er uit.
Ik zag niet écht veel verschil met de andere gewapende bendes die ik in Congo ben tegengekomen.
Ondertussen kwamen er ook een drietal Mai-Mai van nergens opgedoken en gingen rond, maar voornamelijk ACHTER, ons plaatsvatten. Maar ze hielden hun Kalashnikov op de schouder en volgden, schijnbaar weinig geïnteresseerd, de gebeurtenissen. Rajabu, die naast vlot Engels, ook Swahili spreekt, probeerde een gesprek aan te knopen. Tevergeefs. Ze spraken alleen Kinirwanda. Daarna was het de beurt aan de directeur. Ook tevergeefs. Plots wees één van de drie in mijn richting, babbelde hypernerveus en één van de anderen spande zijn Kalashnikov op. Ik stelde me voor in het Frans, maar dat maakte de kerel alleen nóg nerveuzer. Ik was moe, zweette mij dood en had écht géén goesting om in de blekkende zon te staan discussieren. Al die druktemakerij kon me, eerlijk gezegd, allemaal gene bal meer schelen. "Goed, als dat zo zit, dan keer ik maar terug, maar besef wél dat jullie die claim dan wel kunnen vergeten", wat de directeur en een paar anderen tot nog méér ijver aanzette om de Interahamwé te overtuigen van onze vreedzame bedoelingen. Ik ging me een honderdtal meter terug onder een strooien afdakje installeren, voornamelijk om een beetje te kunnen recupereren.
Een vijftal minuutjes later kwam Rajabu me zeggen dat de onderhandelingen succesvol waren afgesloten en dat we nu wél verder mochten en een vijfhonderdtal meter later kwamen we bij de 'plaats des misdrijfs'. Een klein voetbalveld tussen twee houten barakjes met metalen golfplaten en één stenen gebouwtje dat duidelijk al een paar veldslagen had meegemaakt. Een beetje verder was er een stenen kerkje dat minder van de geschiedenis geleden had. Onze begeleiders toonden ons de stompen van een paar palmbomen die over een diepte van een twintigtal meter rondom het voetbalveld en de gebouwen gekapt waren, duidelijk om voldoende plaats te maken voor een veilige helilanding en ik telde ook een tiental nieuwe golfplaten op de houten barakjes, die als lagere school dienst deden. Ik ging me verfrissen aan een beekje dat langs het kerkje liep en dronk daarna een halve fles water (!!!), terwijl de rest van de Securisten een verklaring van de lokalen afnam.
Het was duidelijk dat de bomen niet voor het plezier van het kappen gesneuveld waren, maar welke idioot had het in zijn hoofd gehaald om een landingsplaats te willen uitbouwen op een plaats die bij regenval zelfs niet te bereiken is!
We braken er een uurtje ons hoofd over en het énige dat we konden bedenken was dat het Kando-team in Januari op verkenning gekomen was in Bunyakiri om een geschikte plaats voor een teamsite te vinden en daarbij de verantwoordelijken in de streek gevraagd had uit te kijken naar een mogelijke helilandingssite. Daarbij waren die, zo veronderstelden we toch, in hun overdreven ijver en enthousiasme over de komst van MONUC, op eigen houtje begonnen om die plaats bomenvrij te maken. Waarschijnlijk hadden de teamleden nadien óók wel gezien dat dit een absurde plaats was, maar hadden ze de verantwoordelijken aan het lijntje gehouden over een eventuele betaling van de veroorzaakte schade.
Maar nu waren de Bunyakiri-notabelen duidelijk tot het besef gekomen dat MONUC NIET zou terugkeren en op die manier zeker NIET zou betalen en dus waren ze maar in hun pen gekropen…
Tijdens onze tocht terug kwamen we weer onze drie Interahamwé tegen, die nu duidelijk gekalmeerd waren. Iedereen gaf ze een handje, inclusief wijzelf en onze begeleidende Mai-Mai 'beschermers'. We vonden ook onze jeeps ongeschonden terug, waarbij de 'bescherming' ervan mij weer eens een paar sigaretten kostte en rond zes uur 's avonds stonden we, doodop en kapot van de dorst, weer in Bukavu.
's Anderendaags, toen ik terug kwam van de brigadebriefing, vroeg Alfred me: "Hebt ge het overleefd?".
Eigenaardige vraag.
"Ja, natuurlijk", en ik gaf hem een kort overzicht van de gebeurtenissen en van onze conclusies.
Toen ik een uurtje later een koffie ging drinken in de Welfare, vroeg Timothy REID, de baas van DDRRR (en vraag me niet wat dat wil zeggen), "Hello, hebt ge het overleefd?".
Weer die vraag.
"Waarom?"
"Wel, volgens Michael MUCHIRI van Security, heeft het geen haartje gescheeld of jullie waren ontvoerd door de Interahamwé!".
Ontvoerd??? Wij???
Niets van gemerkt.
En ik moest die dag nóg een paar keer uitleggen dat er in feite helemaal niets gebeurd was en dat we gelukkig mochten zijn dat we geen gewapende escorte meegenomen hadden, want dát ging de zaak zéker explosief gemaakt hebben…
Op donderdag 24 Februari zond Security het bericht rond dat het vanaf dan verboden was om verder dan tien kilometer buiten Bukavu te gaan, zonder militaire escorte…
Overdrijven ze nu toch geen klein beetje?
Eerst is er de verplichting om binnen een veiligheidzone te gaan wonen, dan mogen we daar na 22.00 Hr alleen nog op eigen risico buiten en ná 24.00 Hr zelfs helemáál niet meer, tenslotte zijn er de verboden huizen en nu dít!
Hoe méér MONUC-troepen er komen, hoe gevaarlijker het hier blijkbaar aan het worden is!
Episode 40
Home
Boek kopen? Surf naar © 2006 Free Musketeers!