Episode 42

KINDU

In feite heb ik hier, buiten Zuid-Kivu, weinig bezocht.
Ja, Kinshasa.
Een beetje. Met alle gevolgen vandien.
Ik ben ook een paar keer in Goma geweest, een paar keer in Bujumbura en ik ben twee keer, bij duisternis, door Kigali gereden.
Maar voor de rest?

Toen Kristian GEERTSEN op 8 November richting Kindu vertrok, had ik hem op mijn eerste communiezieltje moeten beloven om eens bij hem op bezoek te komen.
En dat werd zo stilaan tijd, want mijn eindtermen in Congo beginnen met rasse schreden te naderen. Van donderdag 10 Maart tot dinsdag 15 Maart was mijn laatste kans, want aansluitend zou Kristian voor een dikke maand in verlof vertrekken.

Toen ik mijn verlofaanvraag onder de neus van Ali schoof, keek die mij aan alsof ik last had van acute zinsverbijstering.
"Verlof in KINDU???"
Zelf had hij daar ooit eens drie dagen op zending doorgebracht en dat waren er drie teveel geweest. Het was er dampend heet, er was geen eten die naam waardig, het stikte er van de muskieten en er was geen bal te beleven, zei hij.
Ook alle anderen die ik over 'mijn verlof' vertelde lachten eerst alsof het een goeie 'joke' betrof, maar keken me nadien meewarig aan: in Kindu, ge moet goed gek zijn om dáár uw verlof door te brengen...

Maar afspraken zijn nu eenmaal afspraken en toen ik uit het vliegtuig stapte moest ik hen op minstens één punt al gelijk geven: het is inderdaad doempend heet in Kindu.
Het eerste wat Kristian deed, was natuurlijk een rondleiding geven. Eerst door Kindu. En daarop waren we zéér snel uitgekeken. Een klein, slapend provinciestadje waarvan ALLE stenen gebouwen nog dateren uit de kolonisatieperiode en dat zijn belang alleen ontleent aan het feit dat het aan de Congo-rivier ligt die verder stroomopwaarts nog moeilijk bevaarbaar is tijdens het droog seizoen. Daarom hadden de Belgen (jawel, eens te meer) daar een overslagstation gebouwd en was Kindu het beginpunt van een spoorlijn die het ganse zuidelijke gedeelte van Congo ontsluit. Die spoorlijn en de installaties waren echter tijdens de 'rebellions' van 1996 en 1998 volledig vernield en geplunderd geworden (voornamelijk door de TERUGTREKKENDE troepen), en dus volledig onbruikbaar. Slechts zéér recent (mits de hulp van een paar NGO's) was het enkelvoudig spoor weer operationeel. Nu 'dendert' er, aan een slakkegangetje, gemiddeld eens om de veertien dagen weer een treintje over. De haven zelf is echter nog steeds alleen maar een verzamelplaats voor scheepswrakken en er bestaan (nog) geen plannen om de boel weer een beetje leven in te blazen.

De tweede faze van mijn Kindu-initiatie was een bezoek aan de MONUC installaties. En daarop waren we éven snel uitgekeken. In totaal een vijftal plaatsen: de luchthaven met een Indische ASU (Air Support Unit), een "Multinational Camp" met daarin een Chinees hospitaal en een Boliviaanse wachtcompagnie, het "Basoko Camp" met een Zuid-Afrikaanse logistieke eenheid, de Uruguaiaanse 'Riverine Company' en natuurlijk het onvermijdelijke MONUC-hoofdkwartier, waar ook 22 MilObs hun basis hebben.
Maar de klad zit er wel in.
Want er gebeurt niets in Kindu en zelfs niet in de hele Maniema provincie.
Geen schietpartijen, geen gewapende bendes die plunderen, geen FDLR of Interahamwé, geen Buniamulenge, geen…, geen…
Het is er doodstil.
En dus zullen de Uruguaianen verhuizen naar het Albert meer om te patrouilleren langs de Congolees-Oegandese grens, de Chinezen gaan hun hospitaal in Bukavu opslaan, de toekomst van de Zuid-Afrikanen is nog onzeker en er doen geruchten de ronde dat de Boliviaanse wachtcompagnie de helf van hun volk naar Kananga zullen moeten dirigeren.
Als dat alles doorgaat zal de MONUC-getalsterkte van een kleine 850 man gereduceerd worden tot een stuk minder dan de helft.
"Zonder ons ook maar één keer te consulteren", zei Kristian.
En hij had er de pest in.
Het werd zelfs nog erger toen hij, tijdens mijn verblijf, te horen kreeg dat de Uruguaianen zouden beginnen verhuizen vanaf 23 Maart en dat de Chinezen ASAP (het allombekende 'zo rap mogelijk en liefst nog rapper') moesten vertrekken en TEN LAATSTE op 15 Mei weer operationeel zijn in Bukavu.
Daar ging zijn verlof, want een kapitein blijft nu eenmaal aan boord.
Zelfs als het schip zinkt.

Een van de eerste dingen die mij bij de rondleiding opvielen waren een viertal plakkaten langs de straat met daarop "Project: Cooperation Technique Belge", natuurlijk met het onvermijdelijk Belgisch vlaggetje in één van de hoeken. Blijkbaar heeft België in Kindu een zéér actieve afgevaardigde, want in Bukavu heb ik nog nooit één zo'n plakaat gezien, maar hoe ik ook navraag deed, ik heb hem niet te stekken gekregen.
Het tweede dat mij opviel was dat er in Kindu, op het sociaal vlak binnen MONUC, stukken méér te doen is dan in Bukavu. Op vrijdag is er een T-dansant bij de Bolivianen (en die hebben toch iet of wat vrouwelijk schoon in hun gelederen), op zaterdag idem-dito bij de Uruguaianen (óók met een paar meiden waar wel mee te dansen valt) en op zondag is er de obligate filmavond in de cafetaria, geïnstalleerd op het dak van het MONUC-hoofdkwartier. Zonder daarbij de privé-maaltijden mee te rekenen bij iemand die juist terug is uit verlof en die daarbij koffers vol met eten meegebracht heeft en dat de kans niet wil geven om slecht te worden. Want op dát gebied is het in Kindu inderdaad wel huilen met de pet op. Kip met rijst of rijst met kip. Aan u de keuze, want méér is er niet te vinden. Een stevige vorm van zelf-organisatie is dus een absolute 'must', anders wordt uw verblijf in Kindu een permanente 'Buchenwald-party'. Ik had dan ook voor Kristian twintig liter melk, twintig liter fruitsap, een beetje youghourt en tien liter wijn meegebracht, waar hij op afvloog als een uitgehongerde leeuw.
Niet in het minst op de wijn…

Kristian betrok een 'appartement', geheel in hout opgetrokken, boven een aantal gemetste winkeltjes. Maar het geheel was al in een vérgevorderde staat van ontbinding. Alhoewel er wél lampen waren, hadden die toch niet veel nut, want er was geen electriciteit. Ook de lavabo en het bad, in een apart hokje buiten, hadden elk wel een kraantje, maar daar kwam al lang niets meer uit. Hij betaalde dan ook een "maman" twintig dollar per week om dagelijks een aantal emmers te vullen bij een nabijgelegen waterput. Men kon zich dus nog draaien of keren in de 'badkamer', want die stond vol met emmers en teilen.
De ramen waren wél voorzien van muggengaas en dus had ik geen last van de veelvuldig geroemde muskieten, maar in de matras zaten blijkbaar zéér hongerige ándere beestjes, want na een half uurtje begon het overal te jeuken en ging ik me van doffe ellende maar op de grond installeren. Het werden trouwens allemaal zéér korte nachten, want tot een dik stuk na middernacht werden we wakkergehouden door de muziek van iets dat klonk als een discotheek (een discotheek in Kindu???) en stipt om vier uur begon er elke morgen een onverlaat op straat luid te zingen en dat was voor de andere Congolezen blijkbaar het sein om op te staan en aan de rest van de wereld te laten weten dat ze wel degelijk wakker waren.
Gedáán met de nachtrust.

Op vrijdag kreeg ik de kans om de Congo-rivier over te steken aan boord van een Zuid-Afrikaans ponton en daar zag ik weer het dilemma waar een NGO zich regelmatig voor geplaatst ziet. Terwijl we vertrokken, beladen met een Congolese camion die gratis meemocht, lag er links van ons een Congolese oversteekboot, die werkloos aan de kant lag omdat er geen geld was om mazout te kopen…
Zijn we ze aan het helpen of maken we ze nog méér van ons afhankelijk?

Kristian kon op zaterdag een boottochtje op de, vier- tot vijfhonderd meter brede, Congo organiseren aan boord van een van de Uruguaiaanse dingi's. Wél leuk als toeristisch uitstapje, maar ook daar weer werd duidelijk dat er in Kindu voor MONUC in feite niets (meer) te doen is. Om de paar honderd meter waren er groepjes Congolese vrouwen op de oever de was aan het doen (zaterdag, wasdag?), er waren kinderen aan het zwemmen, er was een constante stroom van prauwen die, volgeladen met volk en marktgoederende, de oversteek maakten, waarbij iedereen ons met tekens duidelijk maakte dat we "pole-pole" moesten varen, anders zouden hun bootjes kapseizen in ons zog en het geheel ademde een zodanig bucolische sfeer dat eender welke projectontwikkelaar daar onmiddellijk een toeristische trekpleister zou van willen maken.
Maar zover zijn de Congolezen natuurlijk nog niet.

s' Avonds vroeg ik Kristian waar die muziek vandaan kwam. Hij wist het ook niet. Maar ik had blijkbaar wel zijn nieuwsgierigheid gewekt. En alhoewel er ook in Kindu voor MONUC een uitgangsverbod is na middernacht en het reeds een stuk later was, zei hij plots: "We gaan er naartoe!" We moesten maar onze oren volgen om het te vinden en het bleek inderdaad een discotheek te zijn. Maar volledig leeg.
Waar is de jeugd van Kindu? Waar brengt die zijn weekendnachten door?
De énige die er zat, samen met een paar locale juffertjes, was…het hoofd van de Security Section…
Wie zou wie nu verwijten dat hij 'the curfew' niet respecteert?

De rest van mijn verblijf werd gevuld door lange wandelingen langs alle wegen in Kindu, waarbij ik elk huis en winkeltje wel minstens drie keer van verschillende kanten gezien heb, achtervolgd door een groepje jongeren die me er telkens weer van probeerden te overtuigen dat ze honger hadden of geen geld hadden om naar school te gaan en dus dringend behoefte hadden aan harde Dollars.
Dus in feite niets nieuws onder de zon.

Kindu.
Gezien en afgekeurd. Geef me maar Bukavu!


Episode 43

Home

Boek kopen? Surf naar © 2006 Free Musketeers!