Walungu.
Een gat, door God en klein Pierke vergeten, maar door Isberg op de kaart gezet.
Wat ooit, begin November, met een compagnie Uruguaianen en Zuid-Afrikanen, gestart was als een tijdelijke operatie met de mogelijkheid om het een permanent karakter te geven, begon steeds meer op een permanente operatie met eindeloos tijdelijk karakter te gelijken.
En dat heeft zo zijn gevolgen.
Want de 'administratie' steunt geen tijdelijke karakters. Dat moet volledig door het contingent gedragen worden.
Er was dus véél overtuigingskracht voor nodig om van Alfred de toelating te krijgen om daar toch begin December zes chemische toiletten en twee generatoren (die dan bij aankomst nog niet bleken te werken) te kunnen dumpen.
Maar dat veranderde niets aan het feit dat het een "shitplace" was en dat ook tot op het einde der tijden zal blijven.
Ondertussen begon één van de bruggen op de weg naar Walungu ons steeds meer parten te spelen. Het was wel een beekje van twee keer niks en de boomstammen die de 'brug' vormden overspanden nauwelijks vier meter, maar het feit dat die stammen in de lengterichting lagen en niet geblokkeerd of met elkaar verbonden waren, maakte dat, met de regelmaat van een klok, jeeps of camions er met de wielen tussen schoten en het dan telkens een helse bedoening was om ze weer vlot te krijgen.
Willens, nillens moesten we daar toch iets aan doen.
Ergens begin Februari vertrok ik dus met Bruce Read van de 'Engineering Section' om de maten van dat onding te nemen én van eventuele andere kandidaat-monsterbrugjes verder op de weg. Want doordat er nu bijna dagelijks een constante stroom van camions van en naar de Pakistaanse compagnie in Walungu gaat, beginnen de andere bruggen óók duidelijke tekenen van onbetrouwbaarheid te vertonen.
Het was precies alsof de Pakistanen een demonstratie voor Bruce hadden georganiseerd, want toen we bij de beruchte brug aankwamen, was er één van hun camions daarop 'torentje van Pisa' aan het spelen en stonden een vijftal jeeps van allerhande hulporganisaties geduldig te wachten tot de boel weer vrij zou zijn. Toen de camion een dik uurtje later door een andere camion vrij werd getrokken, was het hún beurt om te bewijzen dat ze er zich óók konden op vastrijden…
Bruce begreep wel de dringendheid van de herstelwerkzaamheden, maar het duurde toch nog een kleine drie weken vóór hij alle benodigde materiaal bij elkaar getelefoneerd kreeg. Vooraleer er echter met zijn volledige ploeg op af te stormen, wilde hij hij wel eerst nog eens ter plaatse gaan kijken en ondertussen had ik op een briefing gehoord dat de brigade in de streek van Walungu een volledig batallion wilde ontplooien én ook al bepaalde lokaties in gedachten had.
Combinatieleer is een tijdsbesparende wetenschap en dus zaten we op zaterdag 26 Februari weer samen in een jeep op weg naar Walungu.
Het was een écht toeristenuitstapje.
De zon scheen aangenaam en onderweg zagen we hele groepjes lokalen die de afwateringsgeulen langs beide zijden van de weg aan het vrijmaken waren met een soort hak (spaden heb ik hier nog nooit gezien) en daarbij de uitgehakte aarde op de weg wierpen.
Ha! Eindelijk eens een Congolees initiatief?
Neen, natuurlijk niet.
Bij navraag bleek dat ze door PNUD (Programme des Nations Unies pour le Développement) betaald werden…
Ze hadden ook al de beroemde brug in een terug bruikbare staat gebracht, maar het was duidelijk dat dit maar een voorlopige oplossing was.
Bruce was dus nog steeds nodig…
In het kamp van de Pakistanis viel me onmiddellijk op dat die er iets van wilden maken. In tegenstelling tot de Uruguaianen die er, toen ik er twee keer was in December, maar wat aan het rondhangen waren, met een verveeld gezicht wachtend op de volgende ploeg die zou komen. Nu hoorde ik geklop en getimmer, er waren hier en daar al grindpaden aangelegd en het geheel gaf een propere en een, zo goed als mogelijk, georganiseerde indruk. Het viel me ook op dat hun tenten 'ingegraven' waren. Het is te zeggen, aan de buitenzijde zien ze er uit als tenten voor lilliputters, maar binnenin ze ze een zeventig tot tachtigtal centimeter diep uitgegraven, waardoor men er toch héél gemakkelijk kan in rondlopen. Daarmee heeft men bescherming bij een eventuele aanval of beschieting, zei majoor WAQAR, de compagniecommandant.
Inderdaad.
Niet slecht gezien van die mannen.
Na het middagmaal (VERPLICHT, anders voel ik me gechoqueerd, zei Waqar) en een toertje door het kamp reden we met hem naar BURHALE, waar hij een plaats gevonden had die geschikt leek voor de installatie van een bataljonshoofdkwartier.
Op de terugweg begon het stevig te regenen. Dikke druppels en ze vielen verdomd rap. We geraakten wel nog terug aan het kamp, toeterden tot afscheid, slipperden verder bergaf richting Walungu-dorp, maar daar was ons liedje definitief uit. Alhoewel de weg niet écht veel afhelde, was er toch geen houden aan en de jeep schoof de greppel in, tot groot jolijt natuurlijk van de talrijke omstaanders, die langs de gevels aan het schuilen waren. De plaats was blijkbaar een echte toeristische trekpleister, want nog geen minuutje later stond er een doorweekte neger naast ons venster met het vriendelijke aanbod om ons voor een zacht prijsje (5 dollar) los te hakken. Maar hoe hij en zijn kompanen ook hakten, duwden en trokken, er was geen uitkomen aan. Dan maar de Pakistanis opgeroepen, die een klein uurtje later opdoken en ons, wéér al slippend en schuivend, naar hun kamp trokken.
We zouden daar, met of zonder goesting, de nacht moeten doorbrengen en hadden natuurlijk niets mee dat daarop voorzien was. Maar ik moet zeggen: de Pakistaanse gastvrijheid is grenzeloos. We kregen elk een droge training aangeboden, werden uitgenodigd om samen met hen film te kijken en kregen daarna het avondmaal voorgeschoteld. Ik mocht er niet aan denken dat hun keuken één zwartgeblakende ruimte is, maar het smaakte wél excelent. En daar waar Bruce voordien nog een paar keer gezucht had dat hij de rugbymatch Engeland tegen weet-ik-veel- wie gemist had en dat er in het Pakistaanse kamp geen druppel bier te krijgen was, hoorde ik hem daarna niet meer. Ondertussen was er voor ons een tent en een bed in orde gebracht (toch héél wat anders dan tijdens mijn eerste verblijf bij de Uruguaianen in Uvira) en we kregen de "buddy" van Waqar om voor ons te zorgen.
In het Pakistaanse leger heeft ELKE officier namelijk nog zijn persoonlijke "aide-de-camp" die zijn schoenen kuist, thee zet, kleren wast, enzovoort, enzovoort…
Daar kwam ik tot het besef dat ik mijn broek 32 jaar lang in het verkeerde leger versleten heb…
En ook dat het in het Pakistaanse leger STUKKEN beter is om officier te zijn dan soldaat.
We wilden op zondag vroeg vertrekken en dus moest ik rond 07.30 Hr "thank you very much" fluisteren tegen het bed van Waqar, want op dát gebied respecteren Pakistanis óók de zondagsrust. De weg was in feite nog maar héél weinig opgedroogd en dus schoven we weer van de ene kant naar de andere, hoe traag we ook reden, zelfs in 4X4-veldversnelling. Er vormde zich namelijk onmiddellijk een vijftal centimeter dikke modderlaag rond de banden van de jeep en modder op modder is nu eenmaal een zéér gladde bedoening. Slechts met véél geluk en véél gasgeven, kon ik vermijden dat we knal op dezelfde plaats als de dag ervoor wéér vastzaten (zo'n schande zou ik zéker niet overleefd hebben) en de lokale depannageploeg moest van lieverlede werkloos aan de kant blijven staan.
Onderweg werd het geen haar beter, want daar waar de 'geulenkuisploeg' de aarde op de weg gesmeten had, was die nu natuurlijk omgevormd tot een dikke slijklaag waar we slechts met véél moeite konden doorploeteren.
Na een dikke drie uur slippen, schuiven, vastzitten en weer losgeraken, ettelijke keren de achterkant van de jeep voorbij zijn voorkant zien komen, de vijfhonderd meter diepe afgrond aan onze rechterkant een paar keer van héél dicht bekijken, twintig dollar betalen om tóch maar voorbij twee vastzittende camions te geraken (ik mocht dan wél twee fotootjes van onze 'helpers' nemen) en Bruce meerdere keren laten uitstappen om de jeep weer op het juiste spoor te schuiven, waren we terug in Bukavu.
Oef!
Zoiets NOOIT meer.
In de toekomst éérst goed naar de Congolese Armand Pien luisteren vooraleer richting Walungu te vertrekken.
Toen we langs de nieuwe 'Transport-workshop' reden, waar Eddy Van Laethem in de toekomst de plak zal zwaaien, zei Bruce: "Ze zouden er moeten opschilderen 'Chez EDDY. The store with the worst tyres in the world'."
Toch zeker bij regenweer…
Episode 41
Home
Boek kopen? Surf naar © 2006 Free Musketeers!