Elke vergadering met een delegatie uit Kinshasa begint met twee leugens:
"Jullie zijn van harte welkom" en
"We zijn hier om jullie te helpen."
Niet dat die mannen het allemaal niet goed menen, maar meestal laten ze bij hun vertrek méér problemen achter dan ze er bij hun aankomst gevonden hebben.
De laatste twee in de eindeloze rij die kwamen om ons te 'helpen' bij de installatie van de Pakistanen waren Jan KARLSSON, een geboren en getogen Zweed, en Michael LIVSHITS, van Israëlisch-Oekraïense origine of omgekeerd, naargelang het hem goed uitkwam. ZIJ zouden echter wel blijven tot het ganse installatieverhaal achter de rug was, maar ze konden het toch OOK niet laten om éérst de zaken nog wat ingewikkelder te maken dan ze al waren.
Samen met Kristian dacht ik bijvoorbeeld dat de Kalehe-site in kannen en kruiken was: we hadden een getekend document van de "administrateur" dat we er konden beginnen werken en dat de compagnie daar mocht ontplooid worden. Niet goed genoeg, vonden ze. Er moest ook nog een dossier door de 'engineer-section', de 'communication-section' en de 'security-section' opgesteld worden én we hadden een getekend document van de gouverneur nodig dat het terrein en de gebouwen "ZONDER ENIGE VOORWAARDEN" ter beschikking werd gesteld. DAT kon nog máánden aanslepen, want het is genoeg om aan een Congolees te vragen om iets te tekenen 'zonder voorwaarden' om hem te doen beseffen dat hij voorwaarden MAG stellen.
Ge ziet van hier, dat ze DAT zullen laten…
En is dat voor ALLE compagnieposities zo?
Ja.
Goed. We staan dus nog nergens.
Het bleken echter wél twee dynamische en gedreven kerels te zijn, die zelfs nog op donderdag 11 November, op de dag dat hij voor een klein maandje in verlof vertrok, de brigadecommandant er nog van probeerden te overtuigen dat zijn plan geen schijn van kans op slagen maakte.
Hij had er ABSOLUUT geen oren naar.
De Echo-compagnie moest en zou op 15 November verhuizen richting Kinshasa en de twee Zuid-Afrikaanse compagnies moesten, tegen dat hij terug uit verlof kwam, in Kamaniola zitten.
Op vrijdag 12 November werd al duidelijk dat Isberg het onderspit zou delven (de afwezigen hebben ALTIJD ongelijk): er was geen plaats in Kinshasa om de E-Coy onder te brengen en de Zuid-Afrikanen hadden geen goesting om als een jo-jo eerst vanuit Goma naar Kamaniola gezonden te worden en nadien naar Kindu.
En dus werd voorzichtig het plan 'depla' (alhoewel het officieel niet zo mocht heten) in het oor van de 'Force Commander' geblazen en werd het éven voorzichtig in alle stilte uitgevoerd.
Want de Force Commander had niet "neen" gezegd en zwijgen is toestemmen.
Het werden voor mij een paar drukke dagen want ik moest niet alleen Jan en Michael 'in the picture' brengen, maar ook de Pakistaanse brigadecommandant mét zijn uitgebreide delegatie de verschillende voorgestelde posities tonen, waaruit hij dan een selectie zou maken.
Op vrijdag 19 November was er een videoconferentie met Marcel SAVART, de DOA (Director of Administration) en dus de ECHTE baas van MONUC. Sommigen maken zich hier in het begin misschien nog wat illusies, maar na een paar maanden MONUC komt men al snel te weten dat het wel degelijk de 'administratie' is die hier de lakens uitdeelt. Ik hoorde, tot mijn eigen verbazing, Michael zeggen dat er "No Problems" waren voor de ontplooiing van het eerste Pakistaans bataljon en dat "alles onder controle" was.
Ah ja?
We zouden wel nog, van zaterdag 20 tot maandag 22 November, een verkenning doen van Bujumbura (waar de Antonov's 124 zouden landen en van waar het personeel per vliegtuig/helicopter en het materieel via de weg naar Bukavu zouden gebracht worden), samen met een vertegenwoordiger van SDV, de firma die de containers, camions, jeeps, M113 en alle andere materiaal naar Bukavu zou transporteren, maar toch, GEEN problemen?
Ik zat toch nog met méér vragen dan antwoorden.
Het bezoek aan Bujumbura werd een succes en we konden daar een serieus aantal praktische afspraken maken met de mannen van ONUB (de UNO-missie in Burundi). De eerste lading Pakistaans materiaal, alias COE (Contingent Owned Equipment), zou aankomen op dinsdag 23 November en op 24 November zou een eerste lading van veertig Pakistani's op Kavumu landen die dit materiaal zouden in ontvangst nemen en de tenten voor de eerste compagnie zouden optrekken.
Dat zag er allemaal zéér veelbelovend uit.
Op dinsdag trokken Michael en ik naar Adikivu om de Uruguaiaanse compagniecommandant te vertellen dat hij twee tenten moest vrijmaken voor die Pakistaanse 'voorwacht'.
Geen probleem, zei hij.
Maar dat was het laatste positieve nieuws dat we die dag kregen.
In de namiddag kwamen we te weten dat de eerste lading materiaal wél al geland was in Bujumbura, maar dat het konvooi geblokkeerd zat aan de Congolese grens omdat niet alle containers in het wit geschilderd waren met het voorziene "UN" er op. Bovendien vroegen de douaniers 100 Dollar "administratiekosten" per container. Zelfs de, inderhaast opgebelde, gouverneur moest bekennen dat de douane buiten zijn bevoegdheid viel en dus moest de kolonne de nacht doorbrengen in het niemandsland tussen Burundi en Congo tot de "Minister van Financiën" zijn pauselijke zegen gegeven had.
's Avonds kregen we te horen dat er 's anderendaags geen 40 Pakistanen zouden komen, maar slechts 4.
Ook goed, dan gaan ze wat harder moeten werken.
Een half uurtje later werden het er weer 40.
Zoveel te beter.
Nóg een half uurtje later werden het er opeens 250.
En die zouden rond de middag op Kavumu landen!
WAAR gaan we DIE leggen?
Er werd GROOT alarm geslagen.
En als ik zeg groot, dan bedoel ik ook groot.
Zelfs Nkunda heeft dat, in zijn beste dagen, nooit kunnen veroorzaken.
Woensdagmorgen, in alle vroegte, trokken Michael en ik naar Adikivu om daar alle mogelijke tenten die we maar konden vinden op de kop tikken, te laten opzetten. We vonden er twee grote à elk twintig man en vier kleintjes à tien man. Dat maakte toch al tachtig man.
We hoorden ook dat er 20 grote tenten enkele dagen voordien richting Kamaniola gezonden waren, daar waar Michael aan de ES-sectie gezegd had om er maar 14 te zenden. Hij ontplofte zo ongeveer ter plaatse en wilde Wilson ASIEDU, de baas van ES, ter plaatse spietsen. Die zat gelukkig vijfendertig kilometer verder, veilig en wel achter zijn computer in Bukavu en ik kon Michael overtuigen de terechtstelling uit te stellen tot 's anderendaags.
En we vonden natuurlijk ook de twee tenten die al moesten leeg zijn nog vol met Uruguaianen. De tweede commandant van de compagnie (die NATUURLIJK weer van blazen wist) bij zijn oren getrokken en na enig vloeken stond "het peloton van wacht" toch van hun veldbed op en begonnen ze, dik tegen hun goesting, te verhuizen.
Dat maakte al honderdtwintig man.
Langs de radio kregen we te horen dat de kolonne met materiaal nu toch over de grens geraakt was en zo tegen de late avond in Bukavu zou aankomen.
Van Adikivu reden we naar de 'Tabacco Factory'. Een compagniepositie in een verlaten industrieel pand die we zo genoemd hadden omdat de ontmantelde machines voor het maken en verpakken van sigaretten en die uit een andere fabriek stamden, daar waren gedumpt. Dat moest dus allemaal op een voormiddag tijd verhuisd worden, er moest chemische toiletten worden aangevoerd en de ganse boel moest nog opgekuist worden.
Precies een kolfje naar de hand van Chuck.
Hij had 'carte blanche' gekregen voor het aanwerven van lokaal personeel en de transportsectie (sedert enige dagen onder de leiding van Eddy VANLAETHEM, nu de tweede Belg in MONUC-Bukavu) zond er alle mogelijke zwaar materieel naartoe en tegen 10.00 Hr heerste er daar een helse drukte.
Dat liep snor en een ruwe schatting leerde ons dat we daar toch een dikke honderd man konden inproppen.
We waren er.
Toch zo ongeveer.
En een paar uur nadien konden de 206 aangekomen Pakistanis (waar waren ze ondertussen die 42 anderen kwijtgespeeld?) op min of meer menswaardige manier hun namiddaggebed richting Mekka houden.
Nu nog dat konvooi binnenloodsen.
Naar onze schatting zouden ze rond 18.00 Hr ongeveer ter hoogte van Panzi zijn en doordat de chauffeurs, die Burundezen waren, wel wisten waar Bukavu lag, maar zéker niet de juiste bestemming van hun lading, gingen we ze daar opwachten en dan verder leiden.
Toen we contact opnamen met de kolonneleider, hoorden we dat hij op een tiental kilometer van Panzi was.
Goed geschat.
We reden er naartoe en onderweg kregen we onze dagelijkse portie slagregen te verwerken.
Het is tenslotte regenseizoen.
De vier camions, allemaal met aanhanger en beladen met containers en Pakistaanse camions (!), kwamen maar moeilijk vooruit op de modderig en glibberig geworden weg. Een kleine kilometer verder zat de eerste camion natuurlijk vast. We konden die nog wel met véél miserie terug lostrekken door er een Uruguaiaanse escorte-camion voor te hangen, maar nog geen kilometer verder was het weer hetzelfde liedje. Terug, maar nu nog met nog méér miserie, weer losgetrokken. Vijfhonderd meter verder: weer van dadde. Toen we die weer vlot gekregen hadden, weigerden de chauffeurs nog verder te rijden.
En ik kon ze geen ongelijk geven, want het was tóch 'a never ending story' aan het worden.
Vertrek: morgenvroeg om 05.00 Hr.
Toen we er om 04.55 Hr aankwamen, was de kolonne al onderweg (inderdaad geen Congolezen, die chauffeurs). De weg was gedurende de nacht een héél klein beetje opgedroogd en we schoten goed op.
Tot aan Panzi.
Daar ging het eerst naar beneden, dan weer naar boven en dan moesten de camions langs een hypersmalle weg nog doorheen de dagelijkse drukte van de straatmarkten van Panzi en Nyawera/Feux Rouge of Kadutu geraken.Het was kiezen tussen doodgaan door verstikking of door wurging.
De trip werd een camionballet op glad ijs en alhoewel MONUC NIET verondersteld werd te helpen (WAT als we daarbij schade aan de camions of de lading veroorzaken, het is tenslotte een BURGERfirma, zei Michael), werd toch maar de grote depanneuze ingeschakeld en werd camion per camion tot buiten Bukavu gesleept, van waar ze weer op eigen kracht richting Adikivu konden stomen. Daar kwamen ze in de late namiddag aan, werden ontladen en op vrijdag 26 November konden ze weer terugkeren naar Bujumbura voor de volgende lading.
VIER dagen voor één konvooi.
En een dergelijk konvooi kan maar de helft van de lading van een Antonov 124 meebrengen, want die kan in één keer 12 containers of aanverwante vervoeren.
En tot 15 December zou er DAGELIJKS zo'n Antonov landen, alleen nog maar met het materiaal dat nodig is voor de installatie van het éérste bataljon!
En het regenseizoen duurt van half September tot eind April!
En op 03 December komt er een tweede lading Pakistanen aangevlogen.
En op 16 December een derde lading…
We gaan duidelijk nog meer dan één konijn uit onze hoed moeten toveren…
Episode 31
Home