We waren dus nog altijd op zoek naar geschikte plaatsen in Bukavu en wijde omgeving om Pakistaanse compagnies te installeren. Er moesten er bovendien steeds méér gevonden worden en het werd steeds dringender, want er deden geruchten de ronde dat het niet beperkt zou blijven tot één bataljon, maar dat er een volledige Pakistaanse brigade van een dikke drieduizend man naar Zuid-Kivu zou komen en dat de eerste elementen daarvan al rond 15 November zouden arriveren.
Vlak na hun ramadan.
Dan stonden ze het scherpst…
Alfred had mij, na mijn terugkomst uit verlof, gesproken over Stephan DEFAYS, een Belg die een theeplantage bezat en die, niet ver van Kavumu-airport, een soort hotel had dat hij wilde verhuren aan MONUC. Ik nam contact met hem op en we besloten op een zonnige zaterdag in September een picknic te doen op zijn domein.
Stephan bleek een robuuste jongeman te zijn, vooraan in de dertig, getrouwd met een Belgische en de trotse vader van een dochter van 8 maanden die juist haar eerste tandjes aan het krijgen was. En ik zag aan de zakken onder zijn ogen dat hij daar duidelijk OOK last van had.
Onderweg richting Kavumu vroeg ik hem wat uit over zijn leven en ervaringen. Zijn vader was geboren in Congo, had wel in België gestudeerd en was wel tijdens de verschillende rebellies en opstanden telkens naar België gevlucht of geëvacueerd geworden, maar was ook telkens weer naar Congo teruggekeerd om (meestal) ook telkens weer van zero te herbeginnen. Hijzelf was ook geboren in Congo, was ook enkel naar België teruggekeerd om aan de universiteit te studeren en was nu als ondernemer in de voetstappen van zijn vader aan het lopen.
Congo was blijkbaar een familiemicrobe.
Ze bezaten een 600 hectaren grote theeplantage mét eigen verwerkingsfabriek, waren actief als uitvoerders van cassiteriet (de grondstof voor het maken van tin) en waren van plan nu ook een eigen transportfirma op te starten.
Ik vroeg hem hoe het ging met 'the business'.
Matig.
De overgangsregering trok op niets en vaardigde vandaag één zotte wet uit, die ze morgen verving door twee nóg zottere. Het was werkelijk onmogelijk geworden om nog een nieuw bedrijf op te richten, want wanneer de administratie geld rook, werd 'de kip' onmiddellijk gepluimd, gebraden en opgegeten. Hij vertelde dat er recent een wet was uitgevaardigd die een exportfirma verplichtte om, VOORALEER een partij thee of cassiteriet te mogen uitvoeren, de volledige geldwaarde van de goederen op een opgelegde rekening te storten.
"Wie heeft er zoveel geld op overschot?", vroeg hij mij.
Bovendien duurt het ongeveer veertien dagen vooraleer een exportvergunning kan losgepeuterd worden. Moet door de gouverneur PERSOONLIJK worden ondertekend. Maar er is natuurlijk wél een manier om dat vlotter te doen gaan…
Hij had alle geloof in de Congolezen al lang opgegeven en vond dat ze lui, niet te betrouwen en allemaal zo corrupt als Don Corleone waren.
Ik kon hem wel grotendeels volgen.
Op een bepaald ogenblik kwam het gesprek op de weddes van zijn personeel. Hij kon niet zeggen hoeveel een theeplukster verdiende, want die werden betaald volgens het gewicht van de oogst, maar een arbeider in zijn fabriek kreeg 30 Dollar per maand, waarbij wél eventuele geneeskundige zorgen voor zowel betrokkene als zijn familie door de firma betaald werden.
"Kan men daar van leven?"
Jawel, schudde hij nadenkend. Op het platteland kan men leven van één dollar per dag. Een beetje bananen, wat zoete aardappelen, méér hebben die mannen niet nodig. In feite leven ze van hun tuintje en werken ze om wat zeep of zo te kopen. En natuurlijk voor die gratis geneeskundige zorgen.
Klonk tamelijk duidelijk en simpel.
Toch iets té simpel.
Bij een rondleiding in zijn theefabriek nam ik een foto van de droogovens.
Als ze toch niets méér nodig hadden, waarom stonden er dan één seconde later drie kerels rond mij met opgestoken handje?
Eén dollar per dag.
Vierhonderd Congolese Frank.
Inderdaad, een stuk rietsuiker kost twintig Frank, net zoals een gebakken kolf maïs. Maar een tros bananen op de markt gaat toch 100 Frank, een kilo ajuinen kost 200 Frank, het goedkoopste pakje sigaretten ook 200 Frank, een fles bier à 75 Cl loopt op tot 300 Fr (en het is dan nog Primus) en een liter benzine kost een volledig dagloon.
Uwen dollar is dan wel HEEL rap op.
Zonder de maanden van EENendertig dagen mee te rekenen…
In 't stad, zo zei hij, lagen de prijzen hoger en hij betaalde zijn wakers dan ook elk 70 Dollar en zijn kok 120 Dollar.
Net zoals wij.
Maar hij was er van overtuigd dat we hen daarbij te véél betaalden en dat een Congolese baas véél minder gul was. Enkele dagen later kwam ik inderdaad te weten dat één van onze buren, een Congolees, actief in de hogere administratie van Bukavu, slechts TWEE wakers had om een 24 op 24 uurdienst te verzekeren (daar waar wij er DRIE hadden) en dat hij hen daarbij maar 50 Dollar betaalde.
Ik moest me dus niet schuldig voelen.
Op vrijdag 08 October woedde er een vreselijke storm in Bukavu. Toch volgens Congolese maatstaven. Het water viel wél met bakken uit de hemel en er was wél af en toe een windvlaag, maar ik had toch al véél erger meegemaakt in België. Ik stond dan ook de ganse tijd vanop het overdekte terras van ons huis dat natuurgeweld gade te slaan en was toch wel een beetje verbaasd toen 's anderendaags ANSELME, één van onze wakers, kwam vertellen dat zijn dak weggewaaid was en dat het huis van BALOUGA (een andere waker) was weggespoeld. Ik ging er echter niet dieper op in, want het was juist mijn beurt om de dagelijkse 'radiocheck' te beantwoorden (we noemen dit hier onze "morning radiosex").
Toen ik een week later op vrijdagmorgen welgemutst ons huis verliet om naar het hoofdkwartier te stappen, was Balouga van wakersdienst.
"Bonjour, Balouga, comment ça va?"
Niet goed.
Zijn huis was nog altijd een ruïne en hij had geen geld om de schade te herstellen.
Kan ik maandag eens komen kijken?
Dat ging.
Hij hield tóch elke dag 'open door'.
Op maandag 18 October reden we samen naar zijn huis en stopten bij een stenen woning waar, zo op het eerste zicht te zien, toch niet veel schade aan was.
"Tiens, Balouga, je croyais que votre maison était détruit?".
Neen, neen, dat was niet ZIJN huis, het zijne lag een beetje verder naar beneden de heuvel af.
We volgden een smal paadje en kwamen bij 'iets' (ik kan het moeilijk een barak noemen, eerder een amateuristisch ineengeflanst kiekenkot) van maximaal drie meter op zes, met versleten houten plankwanden en een roestig golfplaten dak met daarop een aantal stenen, duidelijk bedoeld om de boel bij mekaar te houden. Bij gebrek aan, moest ik zelfs met de deur niet binnenvallen en ik kon onmiddellijk met het salon kennismaken: één houten driezit en één eenzit, maar zonder kussens.
Ik mocht in de driezit gaan zitten.
Er kwamen drie sjofel geklede kinderen binnen en die mochten dat duidelijk niet. Ze mochten zelfs niet aan mij komen, alhoewel het haar op mijn armen (Congolezen hebben dat niet) toch wel hun nieuwsgierigheid opwekte.
Een vrouw kwam binnen, zei "karibu"(welkom), ging, op een Swahili- bevel van Balouga, naar een aanpalend kotje om licht te maken en kwam terug met een brandend petroleumlampje.
Ha, zo zien we weer wat.
Voor wat er ook te zien was.
Het golfplaten dak had méér gaten dan een vergiet, de achtermuur (of wat daarvoor moest doorgaan) bestond uit kartonnen verpakkingsmateriaal, de muur die het 'kotje' en een ander kotje (zo te raden de slaapkamer van de ouders) van het 'salon' scheidde had méér barsten dan ik rimpels op mijn voorhoofd en aan de rugzijde van de driezit waarop ik zat, stond iets dat geleek op een éénpersoonsbed.
Van mijn schoonmoeder, zei Balouga en er kwam een verdroogd oud vrouwtje binnengestrompeld die mij ook "karibu" toewenste.
Het gaf toch wel een schok.
Ik voel me NIET verantwoordelijk voor de erbarmelijke economische toestand waarin Congo zich bevindt, dat hebben ze louter en alleen aan zichzelf en hun bestuurssysteem te danken, maar dat mensen die voor MIJ werken onder dergelijke omstandigheden moeten leven is me toch teveel!
Maar ik vertrouwde het zaakje niet helemaal.
Het kon ook opgezet spel zijn, want tenslotte was het een aangekondigd bezoek en, zoals Stephan gezegd had, Congolezen hebben een grenzeloze fantazie in het bedotten van "moezungu's".
Ik vroeg waar Anselme woonde.
Ho, maar tweehonderd meter verder.
Balouga ging met me mee en we kwamen bij iets dat er als de tweelingbroer van Balouga's huis uitzag. Anselme kwam naar buiten, verwelkomde mij en toonde mij, vol trots, hoe hij het dak met een koord voorlopig terug aan het gebindte (nog geen bonenstaken dik) had vastgemaakt. Ik mocht wéér in de luxezetel gaan zitten (idem dito model), maar hier moest géén petroleumlampje aangestoken worden. Anselme had al electriciteit.
Eén peertje.
Pure luxe.
Toen ik terugkwam, ben ik eerst gaan uithuilen op de schouders van Kristian en daarna op die van Paul.
Ons besluit was snel genomen.
We zouden vooreerst de herstellingen aan hun huis sponsoren en ze daarna opslag geven: vanaf 01 November 100 Dollar voor de wakers en 140 Dollar voor de kok en vanaf 01 Januari respectievelijk 130 en 150 Dollar.
Daarmee valt toch al een héél stuk méér te doen, alhoewel het nog altijd schandalig laag is volgens Belgische normen.
Maar het verschil tussen België en Congo is een Congolese verantwoordelijkheid.
Bij het bezoek van de Minister van Buitenlandse Zaken, zag ik Stephan terug en vertelde hem terloops mijn ervaringen en wat we van plan waren te doen.
Hij was maar zéér matig enthousiast.
We verpestten de markt, vond hij.
Het kan me niet rotten.
Episode 24
Home
Boek kopen? Surf naar © 2006 Free Musketeers!