Het vliegtuig was twintig minuten te vroeg op NDJILI, de nationale luchthaven van Congo, op een twintigtal kilometer van KINSHASA. Ik had dan ook met SN Brussels Airlines gevlogen en niet met SABENA (Such A Bloody Experience Never Anymore), want die zijn al een paar jaar failliet. Ook het buitengeraken uit de luchthaven verliep wonderbaarlijk vlot, voornamelijk dankzij de inzet van FLORIBERT, een imposante neger, die eerst met een plakkaat 'MONUC' stond te zwaaien, ons daarna van ons paspoort verloste en tenslotte ging postvatten bij de douane, waardoor die zelfs geen schijn van kans kreeg om onze bagage te controleren.
Onderweg naar KINSHASA zelf sprongen me al onmiddellijk een paar typisch Congolese zaken in het oog:
Vooreerst zijn werkende achterlichten een optie die de meesten bij de aankoop van hun auto duidelijk NIET nemen.
Ten tweede: het ziet ZWART van het volk langs en voornamelijk OP de straten. Nu is dat misschien wel een dooddoener wanneer men Congo bij daglicht bekijkt, maar in de volstrekte duisternis geeft zoiets aan een chauffeur toch regelmatig ongekende emoties.
's Anderendaags zouden mij, bij daglicht, nog een paar andere eigenschappen geopenbaard worden:
Alle straten zijn 'Avenue'-s. Klinkt luxueus, maar daarmee is dan ook méér dan alles gezegd. Anderzijds zorgen de putten in de weg er wél voor dat de opgelegde maximumsnelheid van 45 Km/Hr op geen enkele manier kan overschreden worden. Bovendien zijn er nergens (werkende) verkeerslichten of verkeersborden. Toch wel knap gezien: geen flitspalen nodig, geen ergernis over torenhoge boetes, een politie die zich louter en alleen kan bezighouden met de misdaad, enz, enz,…
In de tijd dat ik er geweest ben, heb ik bovendien GEEN ENKEL ongeval gezien. Waarschijnlijk gebeuren die ook nooit. Daarom zijn autoverzekeringen hier dan ook onbestaande en zelfs totaal overbodig, want het uitmaken van welke datum de blutsen juist zijn, is toch een onbegonnen zaak.
We kunnen nog wat leren van die mannen!
Op dinsdag startte de 'check-in' in het MONUC-hoofdkwartier en dat was tevens een eerste test in 'trek uw plan'. Op de personeelsdienst (met de voor zichzelf sprekende afkorting van CMPO) steekt een Pakistaan u een bundel formulieren in de pollen en vertelt u in bloedserieus Pakistaans-Engels dat ge naar de AO, de Finance Section en naar CAS moet gaan. Uw ID zal gemaakt worden op DOA, uw paspoort kunt ge terughalen in ALCATEL, informatie over uw bagage kunnen ze geven in AGETRAV en morgen moet ge om 08.30 Hr in IVECO staan voor de start van een 'induction course' door de 'Training Cell'. QUÉ?
Langs de andere kant ontdekte ik er wel een heel ander voordeel: bij de UNO maakt men ONGELOFELIJK snel promotie!
Doordat, naast België, voor zover ik weet alleen Ierland de graad van Kapt/Cdt kent, is deze graad niet erkend door de UNO en moest ik voor mijn identiteitskaart kiezen tussen de graad van Kapitein of die van Majoor. In al mijn bescheidenheid heb ik dan maar voor die van Majoor gekozen.
Bovendien stichten die drie sterren met het streepje erboven grote verwarring en het feit dat er geen fél blinkende 'stars en stripes' op de schouders te zien zijn, maar alleen een zéér discreet graadkenteken midden op de borst, maakt het geheel er alleen maar geheimzinniger op. Ik had nog niets door zolang iedereen mij zéér beleefd met 'Sir' aansprak, maar toen ik op de bus stapte en iemand mij vol enthousiasme met 'Mon Colonel' aansprak, besefte ik dat ik het volgende jaar een zware bijkomende verantwoordelijkheid zou moeten dragen.
Het zij zo.
Men moet tenslotte iets over hebben voor Vorst en Vaderland.
Met een mondjevol Engels en Frans komt men al een heel eind en dus zat ik de volgende morgen, fris gewassen en met proper ondergoed aan, samen met een nest Chinezen, een bende Uruguaianen en Kenianen, een paar Maleisiërs en Bangladeschers en één enkele Rus, reeds om 08.10 Hr gespannen te wachten op de verantwoordelijke van de 'Trainingcell', waarvan we verwachtten dat hij ons ALLE geheimen van de missie zou onthullen. LtKol ANDERSEN sprak vloeiend Deens-Engels en het eerste wat hij ons zei was dat we ENKEL mochten afwezig zijn uit de lessen mits ZIJN uitdrukkelijke toelating. Leek mij logisch en duidelijk. Doch blijkbaar was het dat véél minder voor de andere delegaties, want vanaf de middag reeds leek het lokaal vreselijk veel op een duivenkot en werden de gaten in de leerlingenslagorde steeds groter, ondanks de wanhopige oproepen van onze Deen om toch maar 'to stick to the rules of the house'.
We werden in twee groepen ingedeeld: de 'Military Observers' en de 'StafOfficers', waarbij de staffers enkel tot en met de vrijdag les dienden te volgen en de rest nog een week langer moest blijven. Ondanks het feit dat ik officieel een 'MilObs' was, kwam ik toch in de andere groep terecht, omdat België ergens ooit eens een duistere overeenkomst met de UNO gesloten heeft om in Congo geen Belgen 'in the field' te sturen.
Het zwaartepunt van de cursus lag op donderdag. Tien uur lang: pas op voor de drank, pas op voor de vrouwen en voornamelijk pas op voor een combinatie van die twee want dan krijgt ge extra kinderen, een tweede schoonmoeder, AIDS, een andere SOA of zelfs alles samen, pas op voor uw geld want in hun ogen zijn we enkel een 'moneymachine' en ook de politie is niet wars van wat extra loon, pas op voor malaria, pas op voor mijnen,…. Om een hoofd als een dikkop van te krijgen.
Is het in Congo ECHT allemaal zó erg?
Ba neen, natuurlijk niet.
Het is erger.
Op zondagnamiddag wandelde ik op mijn eentje door de relatief verlaten straten van Kinshasa, fotoapparaat in aanslag om een paar sfeerbeelden te schieten. Plots stopt er een blauwe burgerauto een eindje naast me met voorin een politieman in uniform en op de achterbank drie kerels in burger. De politieman wenkt me nader, doch wanneer ik bij de auto ben is het de kerel op de achterbank die het hoge woord voert. Hij zegt dat hij van de 'geheime politie' is, dat het op die plaats verboden is om foto's te nemen en dat ik moet instappen want ze willen met mij naar het hoofdkwartier van MONUC rijden om mijn identiteit te controleren 'want er zijn veel valse MONUC-identiteitskaarten in omloop'. Ik vraag hem zich te legitimeren en hij toont mij een beduimelde kaart waar niet écht veel op uit te maken is. Ondertussen zijn de twee andere achterbankers op kousevoeten uitgestapt en hebben ongemerkt achter mij plaatsgevat. 'Ergens' achteraan in uw hoofd gaat dan wel een rood lampje flikkeren, maar als goed geïndoctrineerde Belg mét Pavlovreactie doet ge wat de 'Politie' zegt en voor ge het goed en wel beseft zit ge op de achterbank tussen twee kerels, is de politieman die vooraan zat plots verdwenen (waarschijnlijk ergens een misdaad gaan oplossen) en is zijn plaats ingenomen door de derde kerel op de achterbank. Ze rijden natuurlijk NIET naar het hoofdkwartier, maar ergens naar een stille straat, onderzoeken u op 'verboden wapendracht', stoten daarbij op uw portefeuille en vinden daar, o toevallig toeval, 105 Dollar die op zachte wijze van eigenaar veranderen, waarna ge het voertuig moogt verlaten en nog de wijze raad meekrijgt om een toelating tot het nemen van foto's af te halen op het 'Ministère du Tourisme' en "il ne faut pas payer pour ça!". Was ik vet mee, natuurlijk. Een nogal dure raad van tante Kaat.
Waarschijnlijk heb ik zelfs nog geluk gehad dat ik niet in mijn onderbroek de weg terug moest zoeken, want de 105 Dollar was duidelijk een ontgoochelende buit te horen aan de Lingala-commentaar van mijn 'ondervrager'. Maar ik hoorde ook één van de andere bendeleden regelmatig op min of meer smekende toon "Papa Belge" zeggen tegen die kerel, waaruit ik zo ongeveer kon opmaken dat hij een goed woordje voor mij deed en iets bedoelde in de zin van 'laat hem nu toch gaan, het is er een van de familie'.
Als Belg worden we inderdaad als familie beschouwd. We zijn in hun ogen 'les Oncles' en in een martrimoniale structuur zoals die nog in grote delen van Congo van toepassing is, wil dat zeggen dat de ooms verantwoordelijk zijn voor de opvoeding van hun neven en nichten.
We zijn dus duidelijk nog niet uit de kosten met Congo.
Maar ze kunnen niet klagen: IK heb mijn steentje al bijgedragen.
Ondertussen was de cursus voor de stafofficieren in alle hevigheid afgelopen, had ik mijn UN-rijbewijs gehaald en had ik ook al voldoende kans gekregen om de sfeer in Kinshasa en in het hoofdkwartier op te snuiven.
Over Kinshasa kan ik kort zijn: vuil, vuil, vuil, versleten en bloedheet. Men zit er precies in een kookpot. 's Morgens is er een dik wolkendek, rond tien uur komt de zon er door om de boel deftig op te warmen en rond vier uur doen ze de wolkjes weer dicht om alles op temperatuur te houden. Zelfs niet-denken doet zweten en de avond brengt geen zuchtje afkoeling.
Ook op het MONUC-hoofdkwartier is de sfeer allesbehalve aangenaam. Té groot, té log en duidelijk niet tegen haar taak opgewassen. Iedereen kankert er dan ook over en op iedereen en elk werkt er in zijn eigen hoekje met een gezicht van hier-tot-ginder.
Mijn voorganger, Maj VERMEULEN, had me verteld dat BUKAVU een véél aangenamer plaats was om te leven: door zijn ligging op 1600 m hoogte aan het KIVU meer, was de temperatuur er zéér draaglijk en waren de avonden er zelfs koel te noemen en ook het hoofdkwartier ter plaatse was véél meer op mensenmaat gemaakt, waarbij iedereen-iedereen kent en in een (meestal) aangename sfeer samenwerkt. 2 KSOO enfin, maar dan op een internationale leest geschoeid.
Mijn besluit was dan ook zéér snel gemaakt: zo snel mogelijk weg uit Kinshasa en al het mogelijke doen om in Bukavu te geraken.
Daarom trok ik dan ook, gewapend met Maj PODEVIJN aan mijn zijde die ook op de dienst CMPO werkt, op zaterdag (inderdaad, op zaterdag wordt daar gewerkt of aanwezig gezijn) naar de DCMPO (Deputy Chief of the Military Personel Office) om te informeren naar zijn intenties betreffende mijn plaats en functie en hem tegelijkertijd zachtjes wijs te maken dat Bukavu zéker GEEN probleem zou vormen, eerder integendeel. Het was "in principle no problem", zei hij, maar vooraleer ze een beslissing konden nemen moesten ze eerst de resultaten van de rijtest hebben. Leve het computer- en internettijdperk: op vrijdag de test afleggen en op zaterdag zijn de resultaten nog geen tien kilometer verder geraakt…
Maandag teruggegaan. Nog geen resultaten.
Dinsdagmorgen terug. Nog geen resultaten.
Dinsdagnamiddag ikke naar de 'Trainingcell' om van mijn West-Vlaamse oren te maken. Daar wringt LtKol ANDERSEN zich in alle mogelijke bochten en toont op computer dat hij de resultaten 'reeds' (sic) maandagnamiddag doorgezonden heeft.
Ikke terug naar de dienst CMPO.
Eén van de adjuncten zegt dat de resultaten er wel al zijn, maar dat er nog geen beslissingen betreffende mijn 'posting' genomen is. Kom morgen maar eens terug.
Woensdagmorgen, wijlie were daar, natuurlijk.
Dezelfde Pakistaan zegt me dat er nog altijd geen beslissing is. Kom morgen nog maar eens terug.
Héla, hier klopt iets niet!
Maj PODEVIJN er bij gehaald en die kan uit de Pakistaanse neus peuteren dat de beslissing wél al genomen is, maar slechts op donderdag mag geopenbaard worden. De Majoor peutert natuurlijk nog iets dieper en tien seconden later mogen we 'non-officially' het 'postingorder' lezen: Maj DEPLA, JLOC in KINSHASA!
Wablieft? Kinshasa?
En er is NIETS aan te doen, beweert onze Pakistaan, want het order is al getekend en de DCMPO is niet op zijn bureel.
Maar dan heeft hij wél zonder de Belgische assertiviteit gerekend!
We zullen wachten tot de DCMPO terug is en dan 'een woordeken met hem gaan klappen'. Ik ga mij op het terras van de cafetaria installeren en Maj PODEVIJN ligt op vinkenslag vanachter zijn bureau.
Hij had mijn hulp zelfs niet nodig: een tweetal uur later roept hij vanuit het venster van zijn bureau: ge gaat naar BUKAVU!
Ik zou op dinsdag 04 Mei vertrekken en als ik het allemaal een beetje bekijk dan had ik in feite een week te lang in Kinshasa doorgebracht. Mits een beetje organisatie hadden ze mij reeds de dinsdag voordien kunnen laten vertrekken. Buiten veel ergernis had deze week-teveel mij echter niet veel extra gekost, voornamelijk doordat ik het geluk had bij iemand te kunnen inwonen, maar indien ik in een hotel had moeten logeren, zou dit een flinke financiële aderlating geworden zijn waar de UNO maar zéér beperkt mee rekening houdt.
Maar het geluk is nu eenmaal met de dommen, schijnt het…
BUKAVU, HERE WE COME!
Ha neen, wéér te vroeg gejuigd.
Op dinsdag heeft het vliegtuig panne en het vertrek wordt uitgesteld tot donderdag.
Twee dagen aan de rand van een zwembad liggen, mij stierlijk vervelen en doodzweten…
BUKAVU, WE STILL COME!
Episode 2
Home
Boek kopen? Surf naar © 2006 Free Musketeers!