willekeurig
hitparade
plaats
soort
naam
element
stijl
architect
vroeger
main
Vorige plek: Den Helm scoort 5.8
(Ref:0000001)

Toon map op Google Maps

Onze-Lieve-Vrouw-Kathedraal te ANTWERPEN 1 (centrum) / ANTWERPEN
(Handschoenmarkt)

Uw punten :
(Stem 1 indien u dit erg lelijk vindt, 10 voor iets bijzonder prachtig)


Foto door Johan Mares (@Belgiumview)





: De magnifieke preekstoel dateert nog uit 1713 en is van de hand van M. van der Voort Sr: : : : Torenspits vanop terras van Den Engel
: : Zuidelijke transept: Gezien van op de kade: 1 van de vele gewelfsleutels:
: : Detail van het hoofdportaal: Boven de arcadebogen van het middenschip vinden wij een pseudo-triforium dat herleid werd tot borstwering.: : De kathedraal bij zonsondergang vanuit de Oude Beurs.
: : : Gezien van op terras Oude Beurs of uit het noorden: :
: : : De binnenruimte is een uitzonderlijk grote ruimte bestaande uit maar liefst 7 beuken ondersteund door 48 prachtige bundelpijlers.: :
: : Het hoofdportaal in de westelijke gevel met wimperg: Het zuiderportaal: Het hoofdaltaar
Klik op de kleine foto's om ze te vergroten, klik op de grote foto voor een maxi-formaat.

Deze Antwerpse kathedraal is een voorbeeld van Brabantse gotiek uit de Laatgotiek. Ze werd eigenlijk gebouwd rondom een romaanse kerk van 1124. Vandaar dat het grondplan onregelmatigheden vertoont wanneer je het vergelijkt met andere gotische kerken. Met het bouwen van het gotische gedeelte werd begonnen in 1352. Het duurde 170 jaar vooraleer de kerk in zijn huidige vorm voltooid werd. De romaanse kerk werd in 1487 afgebroken. Als bouwmeesters van deze grootste kathedraal uit de Nederlanden noemen we Jacob van Thienen, Peter Appelmans, Jan Tac, Everard van Veeweyden en de families de Waghemakere en Keldermans.

Middenbeuk en kooroverwelving dateren van ca. 1391. De binnenruimte is een uitzonderlijk grote ruimte bestaande uit maar liefst 7 beuken ondersteund door 48 prachtige bundelpijlers. Boven de arcadebogen van het middenschip zien wij een pseudotriforium dat eigenlijk herleid werd tot een borstwering.

In 1420 begon men met het bouwen van de linkertoren die vandaag tot een hoogte van 123 m reikt en die in zijn tijd de hoogste was van de Nederlanden. Deze toren deed dienst als belfort en werd dan ook gefinancierd door de stad Antwerpen. Tot op heden is hij eigendom van de stad. Vandaar dat je soms vlaggen ziet wapperen, hetgeen ongebruikelijk is voor een kerktoren. De rechtertoren of de eigenlijke kerktoren moest groter worden dan de eerste en werd tien jaar later aangevangen in 1430, maar hij werd slechts half afgewerkt. Het hoofdportaal werd bekroond met een prachtige wimperg.

Omdat de kerk werd gebouwd op vrij drassige gronden die toen nog buiten de stad gelegen waren, werd extra zorg besteed aan de fundering van het gebouw. De architect besliste naar verluid om gebruik te maken van koeienhuiden waarop de funderingen geplaatst werden.

Keizer Karel dacht eraan om de kerk nog te vergroten, en legde daarvoor in 1521 de eerste steen, volgens de plannen van Rombout Keldermans en Domien de Waghemakere. Dit kan je vandaag nog zien in het patroon van de straten aan de oostkant van de kerk. In 1533 zorgde een ramzalige brand er voor dat deze plannen nooit werden uitgevoerd. Vooral het rijke interieur werd bijna volledig verwoest.

Enkele jaren later werd de kerk verkozen als bisschopszetel (katheder) voor het dan nieuwe bisdom Antwerpen. Vandaar de benaming kathedraal.

De beeldenstormen van 1566 en 1581 hadden veel schade tot gevolg. Tijdens het Franse bewind (Napoleon) werd de kerk volledig leeggeplunderd. Er was zelfs sprake van om de kerk volledig af te breken. Stadsbouwmeester J.Blom slaagde erin om deze sloopplannen te doen uitstellen zodat de kerk ook dit bewind kon overleven.

In de 19de eeuw werd de kerk bijna gedeeltelijk heringericht qua meubilair. Oude meubelen werden aangekocht uit andere religieuze gebouwen en nieuw neoclassicistisch en neogotisch meubilair werd besteld. Uit deze tijd stammen het koorgestoelte door F.Durlet, verscheidene zijaltaren en tochtportalen. De magnifieke preekstoel dateert nog uit 1713 en is van de hand van M. van der Voort Sr. Je herkent in deze preekstoel de christelijke boodschap aan de vier werelddelen.

Het hoofdaltaar dateert uit 1824, en werd vervaardgid door J.Blom. Het Sint-Antoniusaltaar dateert uit de 17e eeuw, en herbergt een beeld door Arthus Quellin. Het Onze-Lieve-Vrouwealtaar werd in 1678 vervaardigd door Arthus Quellin de Jongere en Pieter Verbruggen. Er zijn biechtstoelen uit de 17e eeuw door Willem Kerricx, M.van der Voort en L.Willemsen.

De orgelkast dateert uit 1567, en werd in 1657 aangepast door Pieter Verbruggen. Het orgel zelf is van P.Schyven.

Er bevinden zich een aantal merkwaardige grafmonumenten, zoals dit van Isabella van Bourbon (overleden in 1465) met een messing ligbeeld van haar, afkomstig uit de Sint-Michielsabdij uit Antwerpen. Het grafmonument van bisschop A.Capello uit 1676 werd door Arthus Quellin de Jongere gemaakt in 1676. De kathedraal is wereldberoemd vanwege de schilderijen die je er vindt, zoals 'de kruisoprichting' en 'de kruisafneming' van Pieter Paul Rubens. Maar er hangen ook schilderijen door minder bekende meesters. We vernoemen de 'Bewening van Jezus' en 'Bruiloft van Cana' uit het laatste kwart van de 16e eeuw door M. de Vos, '15 bloedstortingen van Jezus' en 'Jezus bij de schriftgeleerden' door Frans Francken (2e helft 16e eeuw), 'Kruisafneming' door A. van Noort (einde 16e eeuw) .

Sinds 1961 werd aangevangen met een grondige restauratie.

Clara Gerrits: 'Het verwondert mij ten zeerste dat niemand er weet van heeft, dat er vanaf het jaar 1928 en daarna in 1937 + - en 1960 restauraties werden uitgevoerd, aan de toren van de kathedraal door mijn vader Nestor Gerrits.'

John Lambrechts: 'Er is me vroeger altijd in de school altijd verteld dat deze kerk op ezelsvellen is gebouwd, opdat beter tegen vocht en ongedierte kon. En er toenertijd geen enkele ezel meer te vinden was in de omgeving van Antwerpen en kontreien. Deze woorden komen uit mijn schooltijd, van mijn toenmalige leraar. En is me achteraf noch bevestigd door andere personen, maar waar ik geen namen meer van ken. Wat ik nog wel weet dat deze gegevens stonden vermeld in een boek dat hij toen had voorgelezen.' Wie kan dit bevestigen?

Peter Stremes: 'Het gebruik van huiden was niet ongewoon om een bouwput enigzins droog en vooral werkbaar te houden. Het was het 'zeil' uit de middeleeuwen. Het verhaal van het zoontje van de meester-metselaar Mathias blijkt zéér hardnekking.'

Frits Schetsken: 'En waarom zouden we dat verhaal van Matthias niet meteen vertellen? De man die de aanleiding was tot het bouwen van deze kerk deed zelf immers niet anders, de ene parabel na andere. En zelfs de meest rigide atheïst gebruikt vaak nog uitdrukkingen die rechtstreeks uit deze Bijbelse verhalen geplukt zijn en via de beroemde Statenbijbel gemeengoed zijn geworden in de Nederlandse taal. Aldus:

Als bouwmeester Peeter Appelmans in 1420 de noordertoren moet funderen, wil dat maar niet lukken. De muurdammen zakken telkens weer weg in de drassige grond. Een van zijn opzichters, meester-metselaar Matthias, ontdekt 'n oud handschrift waarin deze problemen worden voorspeld, maar ook de oplossing wordt voorgeschoteld. Zo'n reusachtige toren kan worden gefundeerd met ossenhuiden, die het water tegenhouden. Onze opzichter wil echter deze primeur voor zichzelf houden en spreekt er enkel met zijn vrouw over, in het bijzijn van de kinderen. Nu is de kleinste van dat kroost nogal loslippig, de concurrentie raakt snel op de hoogte van pa's bedrijfsgeheimen. Matthy, razend doch machteloos, laat zich door de duivel verleiden zijn jongste spruit om te brengen. Maar de stem van zijn geweten begint zo hard te kelen, dat hij de stad ontvlucht. Jaren later vinden bouwvakkers bij het krieken van de dag aan de voet van de bijna voltooide toren een vreselijk verminkt lijk, gehuld in pelgrimsmantel. Uit pure wanhoop is hun meester-metselaar teruggekeerd en heeft zich van de toren geworpen. Zonder benji-elastiek ...
In hoeverre kerktorens op huiden werden gefundeerd is niet zo duidelijk. Het woord huiden lijkt zowel te slaan op dierenhuiden, als op platte stenen die daardoor op huiden leken. Wellicht is zo’n fundering op ossen- of koeienhuiden een combinatie van echte huiden ter hoogte van het grondwater met daarop die stenen ‘huiden’ als fundament. Maar dat het tot de volksverbeelding moet hebben gesproken is wel zeker. Variaties op bovenstaand verhaal spelen zich af bij de toren van de Sint- Janskathedraal in ’s-Hertogenbosch, de Martinitoren van Groningen, de Mariakerk in Utrecht, de Oude Kerk in Amsterdam, de Sint-Lievens-monstertoren in Zierikzee …enz., enz.

Peeter Appelmans is zelf niet ver weg, je ontmoet hem aan de voet van de zuidertoren, de laagste van de twee. Hij is daar met zijn ploeg bouwvakkers nog altijd doende om die toren af te krijgen, want hij is nu slechts 65 meter hoog en afgedekt met een provisorisch dak. Maar ja, zoals elke Antwerpenaar weet, de zuidertoren is gefinancierd met de bijdragen van de rijken, de hoge reus aan de noordzijde van de kerkingang is opgetrokken met giften van de armen. Die schijnt dus tot 123 meter de lucht in te priemen, zoals iedereen zegt en schrijft. Maar wat dan te denken van de enige gedocumenteerde meting die we vonden: tussen 1827 en '29 restaureert stadsbouwmeester Pierre Bruno Bourla samen met Louis Serrure de Onze-Lieve-Vrouwetoren, waarvan zij in 1825 reeds de hoogte nauwkeurig hebben bepaald op 124,925 m. Heeft het stadsbestuur misschien geredeneerd: ‘Elke Antwerpenaar kan tot drie tellen, laat ons het makkelijk maken om de hoogte van onze toren te onthouden, 1-2-3.’ Het monument voor Appelmans is redelijk recent. In mei 1935 komen koning Leopold III en koningin Astrid hun Blijde Intrede houden in de Scheldestad en bij die gelegenheid wilde het stadsbestuur toch iets laten onthullen. Gelukkig stonden er in een stadsmagazijn nog wat beelden van Jef Lambeaux, die best een aardige groep vormden. Iedereen gelukkig, al duurde het koninklijke geluk niet langer dan 29 augustus van datzelfde jaar, de dag van het auto-ongeluk in Küssnacht waarbij Astrid omkomt.

Ga mee naar het westportaal, vergroot foto 1 van rij 1 en kijk met ons mee. Boven de hoofdingang prijkt zoals dat hoort een Laatste Oordeel. Maar hier wordt pas vanaf begin 20ste eeuw geoordeeld. Dit staaltje neogotiek is een ontwerp van Frans Andries Durlet, maar het wordt eerst 33 jaar na diens dood in steen vertaald door Jan Baptist van Wint tussen 1900 en 1903. Bovenaan troont God de Vader himself, links van hem knielt Maria met tussen hen in een engel met kruis, uiterst rechts zie je Johannes de Doper met voor hem een engel die zijn staf vasthoudt. Onder God weegt aartsengel Michaël de zielen. Links wacht Petrus met de sleutels van de hemelpoort op keurig gekleed volk, rechts duwt Satan de bloteriken in de slokop van het hellemonster. Een verdieping lager is het links gejubel alom, zij hebben prijs, rechts ellendig geklaag, de verliezers. Let vooral ook op de monnik in hun midden, net onder Michaël. Van Wint heeft hier zichzelf afgebeeld en hij omklemt een doodshoofd. Dat is een oud Vanitas-symbool, dat 'ijdelheid' uitdrukt, maar dan niet in de betekenis van hoogmoed, doch in de middeleeuwse zin van vergankelijkheid: 'alles is ijdel'.
Als Van Wint in 1906 op zijn beurt richting Laatste Oordeel vertrekt, zorgt zijn leerling Pieter de Roeck voor de afwerking van de even boven het gewone voetvolk verheven beelden van acht heiligen, die allemaal iets met Antwerpen te maken hebben gehad. Maar daarvoor moet je even foto 4 van rij 1 vergroten. Aan de linkerzijde zie je van buiten naar binnen ordestichter Norbertus die heel christelijk een mannetje vertrapt, missionaris Amandus die zijn eigen kerkje meeheeft, Willebrordus die zijn goede voorbeeld navolgt en Dymphna, die een gekroond mannetje het mes op de keel zet.
Bij Norbertus gaat het over Tanchelm, een Zeeuwse priester uit de 12de eeuw, die wat kritische kanttekeningen maakt bij het gedrag van de middeleeuwse geestelijkheid. Hij verbiedt gelovigen om de diensten van onwaardige priesters bij te wonen en om tienden (een belasting) te betalen aan sommige parochiepriesters. In 1112 trekt Tanchelm naar Rome en beweegt de paus om het bestuur over de Zeeuwse eilanden tijdelijk aan de bisschop van Terwaan toe te vertrouwen en niet langer aan de Utrechtse bisschop. De paus heeft daar oren naar, want de Utrechtse kanunniken hebben in zijn strijd met de Duitse keizer om de benoeming van bisschoppen de kant van de keizer gekozen. Maar dat valt natuurlijk niet in goede aarde bij het Utrechtse kapittel, dat Tanchelm van allerlei excessen en valse leerstellingen beschuldigt en hem dus tot ketter maakt. In 1115 wordt Tanchelm door een priester vermoord, maar zijn aanhangers worden er alleen maar feller door. Ze verkondigen nu dat sacramenten die door onwaardige priesters worden bediend, niet geldig zijn. En het is dan een kleine stap naar het loochenen van de tegenwoordigheid van Christus in de Eucharistie, wanneer zulke priesters de mis opdragen. Die hele kwestie rond Tanchelms volgelingen, die misschien enig succes hebben gekend bij de Antwerpenaren, wordt nu aangegrepen om Norbertus aan een Antwerpse abdij te helpen. Zijn jeugdvriend bisschop Burchard van Kamerijk schenkt in 1124 de Antwerpse Sint- Michielsabdij aan Norbertus als beloning voor zijn uitroeiing van de ketterse leer van Tanchelm in Antwerpen. Het kapittel van Sint-Michielskanunniken moet nu kiezen, ofwel norbertijn worden, ofwel overgaan naar een nieuw kapittel bij de Onze-Lieve-Vrouwekerk.

Rond Dymphna speelt zich nog een fantastischer verhaal af. Zij is een Ierse prinses en haar vader is zojuist weduwnaar geworden. Hij wil hertrouwen met een vrouw die zijn overleden echtgenote in schoonheid evenaart. Wanneer zijn dienaren geen geschikte dame vinden, kijkt de koning op een dag naar zijn dochter en zegt: ‘Dymph, jij bent net een jongere versie van je moeder, ik ga met jou trouwen.’ Ben je op je kop gevallen?, denkt Dymphna en ze vlucht met Gerebernus, haar biechtvader, het paleis uit. Ze steken over naar Engeland, nemen de ferry naar Oostende en zetten hun tocht te paard verder oostwaarts. Intussen ontdekt pa dat zijn dochter er vandoor is, roept de paleiswacht samen en zet de achtervolging in. Wanneer de koning in het dorpje Zammel arriveert, vlakbij Westerlo, nemen ze even een rustpauze in de lokale herberg. Als de vorst het gelag betaalt, merkt de waard op dat het nu de tweede keer die dag is dat hij met Iers geld wordt betaald. Hebbes dus, Gerebernus en Dymphna zijn snel gevonden, de geestelijke wordt meteen een kopje kleine gemaakt, aan de prinses vraagt de koning: ‘Dymph, wil je met me trouwen?’ Wanneer zij antwoordt ‘Bijlange niet’, slaat de razernij bij pa toe en onthoofdt hij zijn eigen dochter. Wanneer haar lijk wordt overgebracht naar de nabije stad Geel, ontstaat daar een cultus waarbij geestelijk gestoorden voor genezing naar haar relieken worden gebracht. Tot vandaag kent Geel een bijzonder vorm van psychiatrische behandeling, waarbij de patiënten worden opgenomen in het huishouden van gewone burgers en wordt Geel aangeduid als de Barmhartige Stad. Voor de Antwerpenaars blijft het echter: ‘Gij zijt zot, komt ge van Geel misschien?’

Over naar de rechterzijde, waar je van binnen naar buiten de volgende personages tegenkomt: Eligius met een hamer door een kroon . Hij was naast bisschop ook een tijdlang smid en raadgever van de Merovingische koning Dagobert; Fredegandus, een wat minder bekende heilige die in deelgemeente Deurne wordt vereerd. De enige man met geen bisschopsmijter; Walburgis met een olievaatje. Aan deze achtste-eeuwse dochter van koning Richard van Wessex in het Engelse Devonshire hangt een luchtje. Na haar dood komt uit haar sarcofaag een geneeskrachtige olie gelopen, ware wonderolie dus. De nacht voor haar feestdag op 1 mei staat bekend als Walpurgisnacht, dan hebben de boze geesten vrij spel, zodat die nacht populair was bij heksen en nog is bij eigentijdse wicca’s. Walburga is ook een patroonheilige van Antwerpen, de oude – gesloopte – burchtkerk was aan haar gewijd; Bonifatius is de oom van Walburga, hij nam haar en haar zus mee op missietocht door de Nederlanden en Duitsland. Hij houdt de Bijbel vast, waarmee hij ooit zijn hoofd trachtte te beschermen, maar die heeft het Friese zwaard waarmee hij in Dokkum gedood is niet kunnen tegenhouden. Maar patroonheilige van de boekhouders worden, dat zat er natuurlijk wel meteen in.'

Nog even helemaal naar links, voorbij het portaal. Daar zie je een spitsboog tegen de kerkmuur met daarin alaam van een smit en van een schilder, plus een medaillon met een portret van Quinten Matsijs en helemaal onderaan een grafsteen met een doodskop. Rond die grafsteen is langs vier zijden een grafschrift aangebracht: ‘SEPVLTVRE VAN M. QUINTEN MATSYS IN SYNEN TYT GROFSMIDT en DAER NAER FAMEVS SCHILDER WERD STERF AN. 1529’. De uit Leuven afkomstige Quinten Matsijs was eerst als kunstsmid aan de slag , maar later is hij gaan schilderen. Volgens de legende omdat hij op een meisje verliefd was geworden, wier vader een smid te min vond voor zijn dochter, omdat hij zelf schilder was. Toen haar vader op een keer het huis uit was, sloop Quinten stiekem naar een schilderij dat de man net af had en penseelde een vlieg op het blote gat van een duivel op dat konterfeitsel. Toen pa bij thuiskomst de vlieg opmerkte, wilde hij hem wegslaan, zag hoe de vork in de steel zat en riep uit: ‘Wie dat heeft geschilderd mag met mijn dochter trouwen!’ En toen kwam Quinten achter het gordijn vandaan. Mooie Valentijnstory, niet?

Het portret met Quinten in profiel in de top van het monument gaat terug op een zelfportret van de schilder op een penning. De grafsteen bevond zich oorspronkelijk in het kartuizerklooster van Antwerpen, waar Quinten Matsijs in 1529 gestorven en begraven is. Omstreeks 1625 krijgt de Antwerpse mecenas en kunstliefhebber Cornelis Van der Geest toestemming om de grafsteen uit het klooster weg te nemen en die inmiddels flink verweerde steen te laten herkappen en er de bovenvermelde inscriptie op aan te brengen. In 1629 bij het eeuwfeest van Quintens overlijden mag Van der Geest die steen aanbrengen op de gevel van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. Ook Matsijs’ stoffelijke resten worden opgegraven en binnen in de kathedraal opnieuw begraven. In 1818 verhuist de grafsteen naar het Museum voor Schone Kunsten in het oude minderbroedersklooster, waar vandaag de Antwerpse kunstacademie huist, waar de steen een plaatsje krijgt naast een triptiek van Matsijs. Op de kathedraal wordt een replica aangebracht met daarrond het monumentale kader met Quintens portret en de hogergenoemde attributen. Onze eigentijdse schilder Luc Tuymans maakt in 2002 een schilderij van deze grafsteen, ‘Dead Skull’, dat weer in 2010 als voorbeeld dient voor een 1600 m² groot mozaïek voor het MAS (Museum aan de Stroom) in de wijk ‘ Eilandje. Zoals Matsys, als vader van de Antwerpse schilderschool, Antwerpen als stad van schilders op de kaart zette, zo bracht Tuymans het schilderen weer opnieuw in de belangstelling van de kunstwereld.

Nu eens kijken wat er achter deze gevel zit. Wanneer je binnen naar voren wandelt, passeer je een majestueus stukje houtsnijwerk, de preekstoel van Michel van der Voort de Oude. (Vergroot foto 4 van rij 4 voor de details.) Daarin laat Michel zien hoe het christendom zich langzaam maar onontkoombaar verspreidt over de vier werelddelen – Oceanië lag nog buiten beeld, Amerika was nog één geheel. Die werelddelen worden voorgesteld door een viertal Miss Continenten. Europa (links) mag vooraan staan, in het volle licht van het Ware Geloof, zij draagt dan ook de scepter van de geloofskennis. Een kwartslag links van haar, niet zichtbaar op de foto, staat Azië, gekleed volgens de Indische mode, want dankzij de Engelsen die India koloniseerden, heeft zij ook reeds van de christelijke beschaving mogen proeven. Nog een kwartslag links van haar, dus aan de achterkant van de preekstoel, staat Afrika met haar tulband. Zij verblijft nog in het duister der onwetenden, België had Congo nog niet om massaal nonkel paters en tante nonnekes op missie te sturen, nietwaar? De kring wordt gesloten door Miss Amerika, wel zichtbaar op de foto, die reeds een hand naar Europa reikt, maar nog beschouwd wordt als ‘de goede, natuurlijke wilde’ uit het werk van de Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau en het verhaal van Daniël Defoe over Robinson Crusoë en zijn helper Vrijdag. Valt je haar kleding ook op? Rok tot boven de knie en verder boven de gordel wat wufts om de borsten te bedekken en een hoofdtooi van veren, ze kan tippen aan een Braziliaanse Sambaschool-danseres tijdens de parade in Rio de Janeiro. En dan moet je weten dat deze preekstoel uit een kloosterkerk komt, de Hemiksemse Sint-Bernardsabdij die door de Fransen wordt opgeheven, waarna de kerkfabriek op 4 augustus 1803 het meubel aankoopt. Welke puber zal als beginnend monnik zo zijn zinnen bij de preek kunnen houden?
Over deze Indiaanse dame is meer gespeculeerd. Amerikaanse soldaten op manoeuvre in Europa meenden in haar Pocahontas te herkennen, waarvan ze een beeltenis op een penning hadden gezien. Die rond 1595 in het latere Virginia geboren dochter van het Indiaanse opperhoofd Powhataon raakt betrokken bij de kolonisatie van Noord-Amerika door de Engelsen als ze ene captain John Smith redt. Die Engelse scheepskapitein is in handen van de roodhuiden gevallen en zou ter dood worden gebracht, maar daar steekt Pocahontas dus een stokje voor en zij zal met hem verder gaan optrekken, wat haar later niet in dank wordt afgenomen door haar Indiaanse rasgenoten, voor wie zij een verraadster is.
Zelf tot het christendom bekeerd, neemt Pocahontas voortaan de naam Rebecca aan, trouwt met de Engelsman John Rolfe en komt met hem in 1616 aan in Engeland als eerste Indiaanse die men in Europa ziet. Ze maakt meteen indruk op de high society door haar waardigheid, doch komt al het jaar daarop bij een ongeluk om het leven en wordt begraven in Gravesend – what’s in a name? Maar haar faam wordt daardoor juist legendarisch. Blijft natuurlijk de vraag of Michel in 1713 weet heeft gehad van haar bestaan, het lijkt niet direct voor de hand liggend, maar het zou kunnen.

Op de kuip van deze preekstoel medaillons met reliëfbustes van Christus, Maria en Sint-Bernardus, jawel, de abdijstichter. Op de hoekconsoles de evangelisten en hun symbolen: Johannes de ziener met de arendsblik, Matheüs die een engel als corrector had, Lucas die zelfs het ergste rund tot begrip kon brengen en Marcus, de leeuw die brulde. Op de trappen een stukje Aards Paradijs met vogels tussen de takken en ook nog wat andere dieren verspreid over het hele meubel. Bernardus verwees vaak naar de natuur als bron van lering, vandaar. Let ook eens op die takken, het is een eik en een beuk die door elkaar zijn gevlochten, elk met de juiste bladeren getooid. Binnen de kuip zweeft de Heilige Geest voor à la carte inspiratie ten behoeve van de predikant.

Vooraan in deze kerk is het vooral Peter Paul Rubens die de show steelt. Om zijn werk in de juiste volgorde te bekijken begin je in de linker kruisbeuk bij ‘De Kruisoprichting’ uit 1610-’11. Ook weer niet voor deze kathedraal gemaakt, maar voor het hoogaltaar van de Sint-Walburgiskerk dichter bij de Schelde binnen het burchtterrein. Kunstliefhebber- koopman Cornelis van der Geest – inderdaad, die van Quinten Matsijs’ grafsteen – herkent direct het talent van de zojuist uit Italië teruggekeerde Peter Paul. Die in de 19de eeuw afgebroken Sint-Walburgiskerk werd rond 1610 juist vergroot met een koor dat over een straat werd heengebouwd en daardoor een stuk hoger lag dan het schip. Er waren liefst 19 treden nodig om het van beneden uit te bereiken. Rubens hield er dus rekening mee dat zijn schilderij door de gelovigen vanuit kikkerperspectief werd gezien. Hij ging dit altaarstuk van de Meerseniers (een allegaartje van wat we nu middenstanders zouden noemen) ter plekke schilderen, want hij had zijn lesje geleerd in Italië. Zijn eerste altaarstuk in het verre zuiden ging compleet de mist in toen het werd opgehangen. Door weerspiegelingen via de lichtinval was het schilderij bijna onzichtbaar geworden
Ondanks dat het een drieluik is, vormt de afbeelding eigenlijk één geheel. In het midden richten negen beulsknechten het kruis op, terwijl Christus naar zijn hemelse Vader kijkt. In de Sint-Walburgakerk was er boven het schilderij een nis, waarin een schilderij met God de Vader hing. Op het linker zijpaneel staan Maria en de apostel Johannes in het blauw gekleed met onder hen een groepje treurende vrouwen. Op het rechterpaneel een Romeinse ruiter op het lievelingspaard van Peter Paul en de beide moordenaars die samen met Christus gekruisigd gaan worden.

Wandel nu naar de rechter kruisbeuk voor ‘De Kruisafname’, een triptiek dat Rubens in 1612-’14 schildert voor het Kolveniersgilde, dankzij de hoofdman Nicolas Rockox, ook burgemeester van Antwerpen en een van Peter Pauls beste vrienden. De patroonheilige van de kolveniers – mannen die met buskruitgeweren (kolven) een van de vier schuttersgilden van Antwerpen vormden – was Sint-Christoffel, die zich vandaag meer met de reissector bemoeit. Klein probleempje: het bestaan van die heilige werd in twijfel getrokken en de toch al fel door protestanten bekritiseerde Kerk wil alles vermijden wat de geloofwaardigheid kan schaden, dus alsjeblieft geen betwistbare heiligen als hoofdmotief. Rubens lost dat op via de Griekse naam van deze heilige: Christophorus, Christusdrager. Hij was immers de bodybuilder die een klein kind even over de rivier ging helpen op zijn brede rug, maar daar tot zijn niet geringe verbazing als zijn krachten voor nodig had. Op het middenpaneel wordt Christus na zijn dood van het kruis genomen en gedragen door een hele reeks personages, die niet staan te poseren voor de 'foto', maar in volle beweging zijn. Johannes is als meest geliefde leerling van Christus wel zeer opvallend aanwezig in zijn rode mantel. Ook Maria Magdalena is present en het was nogal gewaagd van Rubens om de blote linkervoet van Christus op haar schouder te laten rusten, dat leek een vertrouwelijkheid tussen beide te suggereren die toen niet echt op prijs werd gesteld.Op het linkerpaneel zijn de zwangere Maria en boyfriend Jozef op bezoek bij nicht Elisabeth. Maria draagt dus Christus in haar buik. Het rechterpaneel toont de opdracht van Jezus in de tempel, waar de bejaarde hogepriester Simeon de kleine Jezus overpakt van Maria. God heeft hem beloofd dat hij voor te sterven de Redder zou zien. Ook hij is dus een Christusdrager. In tegenstelling tot ‘De Kruisoprichting’ toont dit drieluik drie verschillende taferelen, maar allemaal rond hetzelfde thema. Op de achterkant mag alsnog Christoffel zelf even opduiken met Jezus op zijn rug en met een kluizenaar die hem volgens een middeleeuwse legende de weg wijst met zijn lamp. Omdat de kluizenaar de weg wijst uit de duisternis naar het licht en Christus het licht is dat de mensheid uit het duister komt bevrijden, wordt deze kluizenaar zelf ook weer een Christusdrager.

Even wat stappen terug naar het hoogaltaar, want daar hangt ‘De Hemelvaart van Maria’ als altaarstuk. Het heeft heel wat vijven en zessen gekost voordat Rubens met dit schilderij aan de slag kon in 1625-’26. Hij is bij het kapittel uiteindelijk komen aandragen met een compleet altaarontwerp en dat zag men wel zitten. De gebroeders Robrecht en Jan de Nole zullen als beeldhouwers instaan voor het altaar, Rubens voor het paneel. Maar wie zou dat gaan betalen? De oplossing voor dat probleem komt van Johannes del Rio, deken van de kathedraal. Hij voelt blijkbaar zijn einde naderen en biedt aan om in ruil voor een graf aan het begin van de noordelijke kooromgang de financiering voor zijn rekening te nemen. De contracten met de kunstenaars worden getekend en dan wacht Peter Paul heel rustig tot deken Del Rio in 1624 overlijdt, waarna hij het jaar daarop begint te schilderen, grotendeels ter plaatse in het koor, dat daarvoor even ontruimd wordt. Intussen hebben de de Nole’s hun altaaromkadering gereed, maar wat blijkt? Rubens’ paneel is te klein! Geen nood, in het atelier wordt het werkstuk simpelweg wat verbreed, wat Peter Paul meteen de kans geeft nog een kleine wijziging aan te brengen. Zijn vrouw Isabella Brant is op 20 juni 1626 overleden en Rubens geeft nu de vrouw in het rood, die centraal achter de sarcofaag op het schilderij staat, de gelaatstrekken van Isabella. Omdat de lichtinval in het koor niet ideaal blijkt om de hemelvaart goed te zien, wordt een glasraam uit 1391 gewoon weggenomen zodat er meer licht is. Zoals wel blijkt, was levertijd nog geen item in de 17de eeuw, het stak niet op een jaartje vroeger of later, als de kwaliteit maar goed zat.Over het afgebeelde thema nog dit: Volgens de overlevering leefde Maria na de Hemelvaart van haar zoon Jezus erg teruggetrokken, tot haar een engel verscheen om haar dood aan te kondigen. Hoewel de apostelen inmiddels waren afgereisd naar allerhande verre bestemmingen om het nieuwe geloof te verkondigen, werden ze op wonderbaarlijke wijze naar het Heilig Land teruggebracht om bij Maria's overlijden aanwezig te kunnen zijn. Ze droegen samen haar lichaam ten grave en bleven waken. Na drie dagen waren ze er getuige van hoe de Maagd door engelen ten hemel werd gevoerd. Dat moment beeld Rubens dus uit: enkele apostelen begrijpen wat er gebeurt en kijken Maria na, maar de meesten zijn zo verrast dat ze verbluft naar de lege lijkwade blijven staren in de handen van de drie vrouwen. Twee engelen vliegen met Maria mee en houden reeds een bloemenkrans gereed.Kijk nu meteen omhoog, want boven je hoofd in de vieringkoepel hangt nog een episode van hetzelfde verhaal, die Cornelis Schut in 1647 heeft geschilderd op een rond doek van 5,80m doorsnee. Bij Cornelis is Maria al een flink stuk richting hemel gestegen, de apostelen zijn uit het zicht verdwenen, maar des te meer engeltjes omringen haar, terwijl de Heilige Geest als duif de koers aangeeft. Een speciaal licht omgeeft Maria en dat licht komt van boven, waar aan de hemelpoort God sr. en God jr. met een kroon in de hand wachten op haar aankomst. Dit schilderstuk is dus de barokke apotheose van deze kleine Maria-cyclus en ook letterlijk een hoogtepunt.

En nu je toch bij het altaar staat, zie je rechts op de vloer een koperen lijn lopen, die sinds de nieuwe opstelling van het altaar dichter bij de gelovigen jammer genoeg daaronder verdwijnt. Dat is een meridiaan of middaglijn, die tot een 19de-eeuws project van Adolphe Quetelet behoort. België was er als eerste bij om op het Europese vasteland spoorwegen aan te leggen vanaf 1835. Maar hoe stel je een klokvaste dienstregeling op, wanneer de klokken in de diverse steden niet dezelfde tijd aanwijzen. Volgens Adolphe kon je soms in de ene stad om 3 uur vertrekken en dan elders vóór 3 uur aankomen. Bij enkelsporige trajecten geeft zoiets natuurlijk ronduit gevaarlijke situaties. Koning Leopold I ziet het probleem en huurt in 1836 de briljante wetenschapper Quetelet in. Hij moet zich concentreren op de grotere plaatsen die langs een spoorweg liggen, een lijst met in totaal 41 steden. Adolphe berekent nu de meridiaan voor elke stad, de lijn waarop de zon precies op het hoogste punt van de dag staat. Zorg dat nu een zonnestraal – of de verste punt van een schaduw – op die exact noord-zuid op de grond aangebrachte lijn valt en je kan op dat moment de klok gelijk zetten, op 12 uur dus. Je hebt een lijn nodig, omdat de zon ’s winters lager staat dan ’s zomers, waardoor de stip die een zonnestraal op de lijn veroorzaakt gaat verschuiven. Maar de lichtvlek blijft wel steeds de lijn keurig volgen.
Je ziet de Antwerpse meridiaan wijzen naar het grote glasraam in de zuidelijke kruisbeuk. Wie goed kijkt ziet daarin twee gaatjes, één linksboven, het andere linksonder. Het bovenste gat zit hoog genoeg om ’s zomers het zonlicht op te vangen boven het lover van de bomen op de Groenplaats, het onderste laat de straal door bij de lage zonnestand in de winter, wanneer de bomen toch kaal zijn. Bij deze middaglijn is het originele gele koper ofwel messing bewaard gebleven. Dat koper moest de zonnestraal goed laten weerkaatsen. Quetelet heeft zijn plan nooit kunnen afwerken. De koning gaf hem zoveel andere opdrachten dat het installeren van al die middaglijnen traag verliep. En wanneer in 1870 de elektrische telegraaf in gebruik komt, laat die toe om een tijdsignaal meteen over heel het land door te geven, zodat Adolphe wordt ingehaald door de techniek. Bovendien wordt eind van de negentiende eeuw de Middel Europese Tijd ingevoerd, waardoor lokale tijdsverschillen helemaal verdwijnen.
Naast Antwerpen resteren nog Quetelets middaglijnen in Mechelen (de Mijlpaal voor het station als richtpunt), Brussel (glasraam in de Sint-Michiel-en-Sint-Goedelekathedraal), Brugge (koperen bol op een staaf op huis Bouchoute aan de Markt en koperen nagels in het wegdek van de Markt), Lier (belforttoren als richtpunt en lijn van kasseien vanaf de toren over de Grote Markt), Dendermonde (glasraam in zuidelijke dwarsbeuk van de Onze-Lieve-Vrouwekerk) en Aalst (glasraam in de Sint-Martinuskerk).

Er zijn in deze kathedraal niet veel grafmonumenten van prominenten bewaard gebleven. De oorzaak ligt in de Franse tijd, wanneer in 1792 alles wat van ver of dichtbij naar adel verwijst onverbiddelijk wordt weggekapt. Toch is er één grafmonument gespaard, in de derde zuidelijke koorkapel. Bisschop Marius Ambrosio Capello was niet van adel en dat werd zijn redding. Zijn beeld in zwart, rood en wit marmer is gekapt door Artus II Quellin in 1676, nadat de zevende bisschop van Antwerpen in dat jaar op 4 oktober was gestorven. Capello kwam uit een multicultureel huwelijk, moeder was een Brabantse uit Bergeyck – tegenwoordig in Noord-Brabant, tussen Eindhoven en de grens – vader was Italiaan, Giovanni Capello. Zoon Marius wordt in Antwerpen geboren in 1597 en treedt in bij de dominicanen na een studie in Spanje, waar hij zijn kloosternaam Ambrosius van meebrengt. Hij wordt prior van het Antwerpse dominicanerklooster aan de Veemarkt, naast de prachtige Sint-Pauluskerk. In 1652 wordt hij bisschop en blijft dat tot zijn overlijden. Zijn grafmonument staat zo, dat hij naar het altaar kijkt en de mis zou kunnen volgen, ware het niet dat sinds recenter tijden een neogotisch koorgestoelte hem het zicht beneemt.

Om te besluiten nog even een aanvulling op Clara Gerrits’ opmerking over de activiteiten van haar vader Nestor. Tussen 1924 en 1927 heeft er een restauratie aan de kathedraal plaatsgevonden onder leiding van architect Jos Bascourt, die vooral bekend is van zijn huizen in velerlei stijlen in en rond de Cogels Osylei in de wijk Zurenborg. Aan Bascourts restauratie lijkt Nestor Gerrits te hebben meegewerkt als beeldhouwer en ornamentalist, terwijl de man ook genoemd wordt als maker van een kruisweg in de Antwerpse Sint-Willibrorduskerk, een hoofdaltaar en kruisweg in de Sint- Leonarduskerk in Breendonk en een Heilig Hartbeeld in de Onze-Lieve-Vrouw en Sint-Jobkerk in Arendonk. Omdat 1925 als sterfdatum van deze kunstenaar wordt vermeld, lijkt het wat vreemd dat hij meegewerkt zou hebben aan restauraties rond 1937 en 1960. Wel wordt ook zijn broer Bruno vernoemd als kunstenaar en die heeft kennelijk tot 1970 geleefd. Misschien kan Clara meer details over haar vader verstrekken om een en ander uit te klaren?
Bij restauraties wordt doorgaans enkel de architect die zo’n restauratie leidt bij naam genoemd. De diverse medewerkers blijven meestal anoniem, maar kunnen zo’n restauratie natuurlijk wel op hun eigen palmares vermelden, want zij hebben het eigenlijke werk uitgevoerd. Vooral wanneer een architect bij zo’n restauratie essentiële wijzigingen aan het gebouw aanbrengt, komt zijn naam in de aandacht. Dat is bijvoorbeeld veel gebeurd tijdens de restauraties eind 19de, begin 20ste eeuw, waarbij het Viollet-le-Duc-principe werd gehuldigd dat een architect een gebouw mocht restaureren zoals het ooit door de oorspronkelijke ontwerper was bedoeld, ook wanneer die het nooit volledig had kunnen realiseren. Dat heeft aanleiding gegeven tot ingrijpende wijzigingen aan bestaande oude gebouwen, zoals het Brusselse Broodhuis aan de Grote Markt, of het Paleis van de Grote Raad aan de Markt van Mechelen. In Brugge zijn de restauraties van Louis Delacenserie nogal fantasievol verlopen. En dan is er nog de periode van de wederopbouw na de Eerste Wereldoorlog, waarbij tal van historische gebouwen vrijwel compleet opnieuw zijn nagebouwd, maar dan wel zo dat het mooist denkbare resultaat werd bereikt door het weglaten van allerlei minder fraaie toevoegingen. Dat soort restauraties gebeurt vandaag niet langer. Als er al ergens iets wordt toegevoegd, wordt dat duidelijk via afwijkende bouwmaterialen kenbaar gemaakt. Vaak gaat het om louter conserveren van een bestaande toestand, ook al is dat dan een ruïne. Misschien gaan we daarin zelfs wat te ver, zodat vandaag heel wat beschermde Belgische kastelen staan te verkrotten omdat ze niet bewoonbaar zijn te maken voor eigentijds gebruik, bijvoorbeeld omdat vensterkaders origineel moeten blijven, terwijl daardoor geen dubbel glas aangebracht kan worden. En een verlaten kasteel is altijd doelwit van lieden die het komen leegroven of het wordt gevandaliseerd doordat het als avontuurplek wordt gebruikt door mensen die er zich verder niet om bekommeren. Vandaar de zin van websites als Belgiumview om wat nog rest kenbaar te maken bij een breder publiek dat er waarde aan hecht. ' (nvdr: bedankt)


Renate Vangeel: 'Zeer mooi!' Claudia Vangeel: 'Mooiste plek op aarde!!!' Steven Scheers: 'Wondermooi !!!!!!' Michel Van denVelde: 'Dit is een mooi gebouw,maar wie betaalt dat allemaal? Ik als ongelovige word het stilaan beu te moeten betalen voor al die onzin dat ze ons vroeger hebben wijsgemaakt. Nu met de AARDBEVING in Haiti hoeveel gaat die Duits (ex hitler jeugd) nu wonend in Rome, bijdragen?'

Marie-José GHOOS: 'Onze kathedraal is zo mooi, gelovig of niet, daar moet je van houden, koesteren, zij vertelt meer over het verleden dan de vele onzin waarmee de moderne media ons onophoudelijk confronteert, ik ben gelukkig in haar nabijheid te zijn geboren en fier in Antwerpen te mogen leven. '

HENRI VAN DEN BERGH: 'zo herkent men ANTWERPEN met zijn wereldhaven, dit is UNIEK.'








Sponser
Belgium
View
Home
Bronnen
Privacy