Voorbeeld van de Demergotiek met veelvuldig gebruik van ijzerzandsteen afgewisseld in speklagen met witte zandsteen. De bouw van deze kerk vatte in 1337 aan.
In 1489 brandde het interieur uit. De laatgotische herinrichting werd bekostigd door rijke kanunniken, welwarende burgers en leden van het huis van Croy. Helass zou ook van dit interieur niet veel over blijven: terwijl de beeldenstorm in 1566 aan Aarschot voorbijging, was 1578 werd een rampjaar met herhaaldelijke plunderingen door Spaanse en opstandige huurlegers. Kunstvoorwerpen werden geroofd, vernield, verbrand, en zelfs de klokken van de beiaard werden uit de toren gegooid. Ook het miraculeuze Mariabeeld werd vernield.
Pas halfweg de 17de eeuw werd Aarschot terug wat welvarend, wat geld bracht om het interieur opnieuw in te richten, dit keer in barok.
De grote restauraties van het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw hebben het uitzicht van het kerkinterieur nogeens veranderd. Het neogotisch orgel werd in 1893 gebouwd door Leonardus Drijvers. De glasramen uit 1896-1897 zijn het werk van Joseph Casier. De witte bepleistering werd van de muren gekapt.
De pas gerestaureerde kerk ontsnapte in 1914 op het nippertje aan de totale vernieling, toen Duitse troepen brand stichtten. Hierbij werd echter enkel het classicistische noordportaal en de barokke afsluiting van het ernaast gelegen Heilig-Kruiskoortje vernield. Na de Eerste Wereldoorlog werd het vernielde portaal vervangen door het huidige neogotische portaal. Kanunnik professor Lemaire ontwierp een nieuw hoofdaltaar in zwart marmer.
De Tweede Wereldoorlog bracht opnieuw vrij grote schade toe. Na 1950 kreeg de kerk nieuwe moderne glasramen.
Français English
   |